_______________________________________________________
Het Midden-Oosten
Conflict in
1.932 woorden
Het
Israëlisch-Arabische conflict volgde uit de opkomst van
het
Zionisme als Joods-nationale politieke beweging in de laatste decennia
van de 19de eeuw. Vanaf circa 1880 trokken tienduizenden Joodse
migranten uit met name Oost-Europa maar ook uit Jemen naar
Palestina,
destijds een Ottomaanse provincie. Zij hoopten dat het herscheppen van
een eigen thuisland of staat daar een
einde zou maken aan het antisemitisme en aan
de eeuwenlange vervolging en onderdrukking van de
Joden in de diaspora.
Het eerste Zionistische congres
vond plaats in 1897 in Bazel onder leiding van de Oostenrijkse
journalist
Theodor Herzl, die in zijn boek "
Der Judenstaat" een visioen
had geschilderd over een eigen staat voor het Joodse volk, waarin zij
een licht onder de naties zouden zijn. Het Zionisme was aanvankelijk
grotendeels een seculiere beweging, maar het steunde op de religieuze
en culturele band die de meeste Joden al die tijd waren blijven houden
met
Jeruzalem en het oude land. Veel orthodoxe Joden meenden
aanvankelijk dat alleen de Messias hen terug kon leiden naar het
'Beloofde Land', maar de toenemende vervolging deed hen uiteindelijk
van standpunt veranderen, zeker na de Holocaust.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog veroverde Groot-Brittannië een
deel
van het Midden-Oosten, waaronder Palestina, op de Ottomanen. De Britten
beloofden de Joden in 1917 een 'Joods nationaal thuis' in de Balfour
declaratie, en kregen later op grond hiervan van de Volkerenbond een
mandaat over Palestina toegewezen. Het
Mandaatgebied Palestina omvatte
aanvankelijk ook het huidige Jordanië, dat hier in 1922 van
werd
afgesplitst.
De Joodse immigratie en landaankopen stuitten op toenemend verzet van
de
Arabische inwoners van Palestina, die in de jaren '20 en '30
verschillende gewelddadige opstanden pleegden tegen de Joden en het
Britse bestuur. Tijdens de grote opstand van 1936-1939 vermoordde de
clan van de radikale moefti
Haj Amin Al Husseini (een Nazi
collaborateur die later het Neurenberg tribunaal ontvluchtte) niet
alleen honderden Joden, maar een nog groter aantal Palestijnse
Arabieren van rivaliserende groepen. De Zionisten richtten
zelfverdedigingsorganisaties op als de Hagana en de (radikalere)
Irgoen. Deze laatste voerde vanaf 1936 ook vergeldingsaanvallen op
Arabieren uit. Onder druk van de Arabieren legden de Britten Joodse
immigratie naar Palestina sterk aan banden, nadat voorstellen om het
gebied op te delen in 1937 door de Arabieren waren afgewezen. Joodse
vluchtelingen uit door Nazi-Duitsland gecontroleerde gebieden konden nu
vrijwel nergens meer heen, daar bijna alle andere landen weigerden hen
toe te laten. In reactie hierop organiseerden Joodse organisaties
illegale immigratie, eiste de Zionistische leiding in 1942 (Biltmore
conferentie) een onafhankelijke staat in Palestina om zelf de
immigratie te kunnen bepalen, en pleegde de Irgoen aanslagen tegen het
Britse bestuur in Palestina.
Na de Tweede Wereldoorlog nam de druk op Groot-Brittannië
verder
toe om Joodse immigranten - met name de overlevenden van de Holocaust -
toe te laten. Door tegenstrijdige eisen en geweld van zowel de
Arabieren als de Zionisten werd de situatie onhoudbaar voor de Britten,
en gaven zij het mandaat terug aan de
Verenigde Naties (opvolger van de
Volkerenbond), die in
november 1947 een delingsplan voor het gebied
aannam, dat wederom door de Joden werd geaccepteerd maar door de
Palestijnen en de Arabische landen werd afgewezen. Palestijnse
Arabieren vielen daarop Joodse konvooien en gemeenschappen aan en
blokkeerden Jeruzalem, waarna de Zionisten verschillende Palestijnse
dorpen aanvielen en vernietigden. Een dag na het uitroepen van de staat
Israël (op 14 mei 1948) vielen troepen van de Arabische
buurlanden
het gebied binnen.
Na het sluiten van wapenstilstandsakkoorden in 1949, beheerste
Israël 78% van het gebied tussen de Jordaan en de Middellandse
Zee, terwijl Jordanië de Westoever en Oost-Jeruzalem had
veroverd
en Egypte de Gazastrook beheerste. Een meerderheid van de
Arabieren was
uit het door Israël gecontroleerde gebied gevlucht of
verdreven
(naar schatting ruim 700.000) en hun dorpen vernietigd, en alle Joodse
gemeenschappen in het
door de Arabieren gecontroleerde gebied waren verdreven. In de jaren en
decennia na de stichting van Israël moesten ook de
Joodse
minderheden in Arabische landen voor het grootste deel hun land
ontvluchten (ongeveer 900.000), waarvan de meesten in Israël,
de
VS en Frankrijk terecht kwamen. De Joodse vluchtelingen werden allemaal
geherhuisvest in hun nieuwe thuislanden, maar de Arabische landen
weigerden de Palestijnse vluchtelingen permanent te huisvesten omdat
zij - evenals de meeste vluchtelingen zelf - vonden dat zij naar
Israël moesten kunnen terugkeren. Israël weigerde dat
en vond
dat de Arabische staten voor hun lot verantwoordelijk waren. Dit is tot
op heden een van de grootste problemen die een oplossing in de weg
staat.
De Arabische landen weigerden zich neer te leggen bij het bestaan van
Israël en stelden een
boycot in, terwijl ze geregeld bleven
dreigen met een vernietigingsoorlog. Ook richtten ze Palestijnse
verzetsgroepen op die terroristische aanslagen uitvoerden, zoals Fatah
in Syrië in 1959 (onder leiding van Yasser Arafat) en de PLO
in
Egypte in 1964. Tijdens de
Zesdaagse Oorlog in 1967 veroverde
Israël onder meer de gebieden die Egypte en Jordanië
voordien
bezet hielden, evenals de Sinaï-woestijn en de
Golan-hoogvlakte.
Ook na deze nederlaag weigerden de Arabische landen om met
Israël
over vrede te onderhandelen (Khartoem conferentie).
De aandacht van het Palestijnse verzet verschoof na 1967 naar het
bevrijden van
de Westelijke Jordaanoever en Gazastrook als eerste stap naar de
bevrijding van heel Palestina. Een symboolfunctie daarbij kreeg
Oost-Jeruzalem, dat in 1980 door Israël werd geannexeerd en
tot
ondeelbare hoofdstad uitgeroepen, maar ook door de Palestijnen als
hoofdstad wordt geclaimd. De deling van Jeruzalem met haar heilige
plaatsen is het tweede grote knelpunt voor een oplossing van het
conflict.
De PLO werd in 1974 als vertegenwoordiger van de Palestijnse Arabieren,
die zich steeds meer als een volk begonnen te manifesteren,
toegelaten als waarnemer in de VN, en - naast de in 1949 opgerichte
UNRWA
die zich bekommerde om de Palestijnse vluchtelingen - werden er
diverse speciale VN-organen voor de Palestijnen en hun strijd voor een
eigen staat opgericht. In 1975 nam de Algemene Vergadering van de VN
een resolutie aan die verklaarde dat Zionisme een vorm van racisme was,
waarmee de VN in de ogen van Israël haar geloofwaardigheid als
neutrale bemiddelaar definitief verloor, al werd die resolutie in 1991
weer herroepen.
Met Amerikaanse bemiddeling sloot Israël onder de rechtse
premier
Begin in 1979 een vredesakkoord met Egypte, dat daarvoor de
Sinaï
woestijn terugkreeg. Onderhandelingen over autonomie voor de
Palestijnen in de Gazastrook en Westelijke Jordaanoever liepen vast
omdat de Palestijnen geen genoegen namen met alleen autonomie over deze
gebieden en Israël weigerde de PLO als onderhandelingspartner
te
accepteren. Dit veranderde begin jaren '90 nadat de PLO had verklaard
het geweld af te zweren, het bestaansrecht van Israël te
erkennen
en alleen een Palestijnse staat op de in 1967 bezette gebieden na te
streven. Bovendien deed een massale opstand van de Palestijnen in de
bezette gebieden (de Eerste Intifada) vanaf 1987 de
Israëlische
regering beseffen dat ze niet over de Arabische bevolking konden
blijven heersen. Geheime
onderhandelingen in Oslo leidden tot een
akkoord waarin onder leiding van Arafat en de PLO in 1994 een
Palestijnse Nationale Autoriteit werd opgericht, aan wie
Israël de
gebieden gefaseerd zou overdragen. Na een periode van 5 jaar zouden de
moeilijkste zaken als de status van Jeruzalem, vluchtelingen, de
nederzettingen en definitieve grenzen in onderhandelingen worden
geregeld. Uiteindelijk kwam 97% van de Palestijnen onder Palestijns
bestuur, met de Gazastrook en ca. 40% van het gebied van de Westelijke
Jordaanoever.
Sinds 1967 had Israël
Joodse nederzettingen in deze gebieden
gesticht, eerst vooral kleinere en onder de Likoed regeringen vanaf
eind jaren '70 steeds meer en grotere blokken. Hoewel de Oslo Akkoorden
nog geen ontruiming hiervan voorschreven, was duidelijk dat zij een
obstakel zouden vormen voor een definitief vredesakkoord. De snelle
groei van de nederzettingen ondermijnde het Palestijnse vertrouwen
hierin. De Israëlische premier Rabin, die de
nederzettingenbouw
deels bevroor, werd in 1995 vermoord door een Joodse extremist.
Anderzijds leidde de ontruiming van Palestijns gebied tot de opbouw van
een terreurnetwerk door o.a. de extremistische Hamas, dat vanaf midden
jaren '90 een ongekende reeks zelfmoordaanslagen binnen Israël
uitvoerde. De PA onder Arafat trad slechts beperkt op tegen de
terroristische groepen en gaf - als dat in zijn strategie paste - zelfs
groen licht voor aanslagen. Het voortdurende geweld van Palestijnse
extremisten vormt het vierde obstakel voor vrede.
Het vredesproces sleepte zich langzaam voort tot de onderhandelingen op
Camp David in de zomer van 2000. Na het mislukken daarvan startte
Arafat een Tweede Intifada in de hoop daardoor meer concessies te
kunnen afdwingen. In januari 2001 werd in Taba het laatste
vredesvoorstel van Israël en bemiddelaar VS door de
Palestijnen
afgewezen, waarna in Israël weer de Likoed aan de macht kwam
onder
leiding van Ariel Sharon, en in de VS de democraat Clinton werd
vervangen door George W. Bush. Nadat Amerika op 11 september 2001 zelf
slachtoffer werd van terroristische aanslagen door Al Qaida, gaf Bush
groen licht aan Sharon om hard op te treden tegen de Tweede Intifada.
Hiertoe werd in 2002 een deel van de eerder ontruimde gebieden weer
door
Israël bezet en werd een reeks van checkpoints opgezet die de
bewegingsvrijheid van de Palestijnen ernstig beperkte. Daarbij werd in
2003 begonnen met de bouw van een zeer
omstreden
afscheidingsbarrière
langs de Groene Lijn en deels door Palestijns gebied. Deze maatregelen
leidden tot een sterke daling van de Palestijnse zelfmoordaanslagen
binnen Israël.
Hoewel beide partijen een in 2003 door het Kwartet (VS, VN, EU en
Rusland) gelanceerde 'Routekaart naar Vrede' accepteerden, zijn er
sindsdien geen echte vredesbesprekingen meer gehouden, ook niet met
Arafats opvolger Abbas. Sharon besloot wel tot eenzijdige maatregelen
als de terugtrekking uit de Gazastrook in 2005, maar eiste een einde
aan het terrorisme voor hij met Abbas over de belangrijke kwesties
wilde onderhandelen. Nadat de Palestijnen begin 2006 Hamas in de
regering kozen en het geweld vanuit de ontruimde Gazastrook alleen maar
toenam, werden plannen voor verdere eenzijdige terugtrekkingen uit de
Westoever in de ijskast gezet.
Het vredesproces liep vast doordat zowel de Palestijnen als de
Israëli's zich niet aan gemaakte afspraken hielden en te
weinig
maatregelen namen om het vertrouwen van de andere kant te winnen en om
de eigen bevolking rijp te maken voor het noodzakelijke compromis.
Sinds het Oslo vredesproces is er wel een brede consensus ontstaan dat
in de in 1967 bezette gebieden een onafhankelijke Palestijns-Arabische
staat gevestigd moet worden.
De belangrijkste oorzaken voor het Israëlisch-Palestijns
conflict
liggen in de claim van twee nationale bewegingen op hetzelfde land, en
met name de Arabische weigering Joodse zelfbeschikking in een deel van
Palestina te accepteren. Daarbij zijn fundamentalistisch-religieuze
opvattingen over het recht van één van beide op
het
gehele land een steeds grotere rol gaan spelen, bij de Joden vooral in
de religieuze kolonistenbeweging, bij de Palestijnen met name via de
Hamas. De kolonisten leden een gevoelige klap toen ze de ontruiming van
de Gazastrook niet konden verhinderen. Hamas won nadien de Palestijnse
verkiezingen, en lijkt ook na de breuk met Fatah vanuit Gaza een
obstakel te blijven voor een vredesakkoord tussen Israël en de
Palestijnen, evenals andere terroristische organisaties.
Het conflict wordt verder bemoeilijkt door wederzijdse vijandbeelden,
stereotypes en vooroordelen over de tegenpartij. De Israëli's
zien om zich heen veelal ondemocratische staten met een
onderontwikkelde economie, achterlijke culturele en maatschappelijke
normen en een agressieve religie die tot haat en terrorisme aanzet. De
Arabieren zien de
Israëli's als koloniale indringers en veroveraars, die erop
uit
zijn het hele Midden-Oosten te overheersen. Er is wrok
over Israëls succes en het Arabische falen, en over de
Westerse inmenging in het Midden-Oosten, waarvan Israël als
verlengstuk wordt gezien. In Arabische media, onderwijs en
moskeeën worden antisemitische stereotypes uitgedragen,
gebaseerd op een mengeling van anti-joodse
passages uit de Koran en Europees antisemitisme, waaronder talloze
complottheorieën over de macht van het wereldzionisme.
©
Dit artikel is copyright Israël-Palestina Informatie, afgezien
van onderdelen waarvoor andere bronnen worden vermeld. Voor
overname
gelieve kontakt met ons op te nemen via het e-mail adres. Beperkte
citaten voorzien van een link naar deze webpagina zijn toegestaan.