Israël, de Palestijnen en het Midden-Oosten conflict

De intifada en het vredesproces

(laatste update 26-6-2007)
De vroegere geschiedenis van het conflict tussen Israël en de Palestijnen is te vinden op de pagina
"Geschiedenis van het Israëlisch-Arabische conflict".


* INHOUD:
De eerste Intifada
Het Oslo vredesproces
Camp David en tweede Intifada
Routekaart en Geneefs Akkoord
De afscheidingsbarrière (Apartheidsmuur, veiligheidshek)
Disengagement plan, Kadima, en Israël na Sharon
De Palestijnen na Arafat: Abbas en Hamas


Het beeld van de eerste Intifada werd vooral bepaald door Palestijnse
jongeren die stenen gooiden naar Israëlische soldaten en tanks.
_________________________________________________________

De eerste Intifada


Met de PLO verdreven naar het verre Tunis, en de Arabische staten onwillig of niet in staat veel voor de Palestijnen te doen, namen de Palestijnen in de bezette gebieden het heft in eigen hand, en kwamen in 1987 massaal in opstand tegen de bezetting. Grote demonstraties, stakingen, woedende menigten die naar Israëlische legerposten trokken en deze met stenen en molotov cocktails bekogelden en barricades opwierpen. Winkeliers werden gedwongen te staken, en politie en ambtenaren die met de Israëlische autoriteiten samenwerkten werden gedwongen hun ambt neer te leggen. Collaborateurs werden opgespoord en wreed gestraft. Lokale comités namen de leiding, en radicale islamitische organisaties zoals de pas opgerichte Hamas en Islamitische Jihad, en de islamitische universiteit, speelden ook een actieve rol. Na de verdrijving van de PLO en het succes van de Hezbollah in het verdrijven van Israël uit Libanon groeide de invloed van deze radicale groepen op het Palestijnse nationalisme. Bovendien konden zij aanvankelijk hun gang gaan en zag Israël ze zelfs als een welkome rivaal van de zo gehate PLO, die overigens achter de schermen een behoorlijke invloed op de lokale comités wist te krijgen.
De intifada was zowel veroorzaakt door, alswel versterkte een gevoel van kracht en Palestijns zelfbewustzijn. Het succes van de Hezbollah, een geslaagde ontsnapping van Palestijnse militanten uit de gevangenis, en andere successen in de bezette gebieden, droegen hieraan bij. De Palestijnen maakten bovendien bewust gebruik van Israëls zwakke kant door vuurgevechten te mijden en zich te beperken tot 'low-level' geweld zoals stenen gooien. Dit gaf hun de status van David tegenover Goliath (een positie die Israël ook graag claimde in zijn strijd met de Arabische wereld), en leidde tot wereldwijde sympathie voor de Palestijnse zaak.
Aanvankelijk dacht Israël dat de opstand van voorbijgaande aard zou zijn - er waren vaker dergelijke protesten geweest - en trad de IDF niet erg hard op. Bovendien was het leger niet uitgerust voor het bestrijden van massaprotesten. Al in het begin van 1988 concludeerde minister van defensie Rabin dat de intifada niet met militaire middelen alleen bestreden kon worden, en er een politieke oplossing - door onderhandelingen - gevonden moest worden. Het doel was dan ook meer de zaak enigszins in de hand te houden dan de opstand keihard neer te slaan. Desondanks trad het leger soms hard en wreed op, door veelvuldig gebruik van de wapenstok, alsmede rubber en plastic kogels. Ook werden massale arrestaties verricht, werden opstandelingen soms maanden zonder proces vastgehouden, en werden dorpen en steden afgesloten van de buitenwereld, alsmede huizen van opstandelingen vernield. Dit leidde tot verhitte discussies binnen het leger en protesten zowel binnen het leger als binnen het Israëlische publiek. Israëli's begonnen zich de noodzaak van de bezetting voor Israëls veiligheid af te vragen, en werden zich bewust van de hoge prijs die hiervoor in moreel opzicht betaald moest worden. 


Het Oslo vredesproces

De intifada bracht de twee-staten oplossing, die na de afwijzing van het VN-verdelingsplan door de Arabieren in 1947 van de agenda was verdwenen, terug op de agenda. Had de PLO tot dan toe altijd opgeroepen tot de ontmanteling van Israël door middel van geweld, nu riep men op te onderhandelen op basis van VN-resoluties 242 (na de Zesdaagse Oorlog aangenomen) en 338 (na de Yom Kippur Oorlog aangenomen). Dit wil echter niet zeggen dat de PLO Israël opeens erkende als Joodse staat, en velen zagen onderhandelingen slechts als een ander middel om uiteindelijk hetzelfde doel te bereiken. Ook Israël was nog niet toe aan het erkennen van de PLO of de noodzaak van een onafhankelijke Palestijnse staat. Terwijl de Likoed sowieso tegen teruggave van de bezette gebieden (Judea en Samaria in hun terminologie) was, stond de Arbeidspartij teruggave van het merendeel van de Westelijke Jordaanoever aan Jordanië voor, met een blijvende Israëlische aanwezigheid in de Jordaanvallei. Jordanië had echter in 1988 officieel afstand gedaan van zijn claim op de Westoever, waarmee deze optie kwam te vervallen.
In eerste instantie was de Israëlische regering bereid te onderhandelen met het lokale leiderschap op de Westoever, maar bleven onderhandelingen met de PLO taboe. Al snel bleek echter dat zonder de PLO erbij te betrekken, geen bindende afspraken met de Palestijnen konden worden gemaakt, en werden in het geheim onderhandelingen met de PLO gevoerd in Oslo, terwijl in Madrid ondertussen de officiële besprekingen onder leiding van de VS op niets uitliepen. Tijdens de onderhandelingen wisselden Arafat en Rabin brieven uit, waarin Israël de PLO als vertegenwoordiger van het Palestijnse volk erkende, en Arafat Israëls bestaansrecht erkende, en Arafat terrorisme afzwoer en zich uitsprak voor onderhandelingen op basis van resoluties 242 en 338 en op basis van het principe van 'land voor vrede'.
De geheime onderhandelingen leidden tot de 'Declaration of Principles' (DOP) in 1993, waarin zowel Israël als de Palestijnen elkaars 'legitieme rechten' erkenden. Israël zou zijn leger uit de Gazastrook en Jericho terugtrekken, en het bestuur zou worden overgedragen aan een interim Palestijns bestuur (Palestijnse Autoriteit), waarvoor verkiezingen zouden worden gehouden. Binnen vijf jaar zou een permanente regeling op basis van resoluties 242 en 338 getroffen worden, waarin zaken als grenzen, Jeruzalem, vluchtelingen, en de nederzettingen geregeld worden. In 1995 werd de Oslo interim overeenkomst getekend, waarin een verdere Israëlische terugtrekking uit de meeste Palestijnse steden werd overeengekomen, alsmede graduele terugtrekking van het platteland. Israël zou bovendien een groot aantal Palestijnse gevangenen vrijlaten, en de PLO zou zijn convenant, waarin de ontmanteling van Israël tot doel werd gesteld, aanpassen en de PA zou terrorisme vanuit de gebieden onder zijn controle verhinderen door middel van een uitgebreid politieapparaat.
Zowel de Hamas en Islamitische Jihad als joodse extremisten probeerden vrede te verhinderen door aanslagen te plegen. In februari 1994 schoot een joodse extremist, Baruch Goldstein, 29 Palestijnen dood in een moskee in Hebron. In dezelfde periode pleegde Hamas verschillende aanslagen. De aanslagen leidden tot toenemend verzet in Israël tegen de akkoorden, en een vertraging van de overeengekomen overdracht van gebieden. De PA arresteerde weliswaar af en toe enkele Hamasleden, maar trad bewust niet te hard tegen ze op, zowel om eigen populariteit niet te verliezen, alsook omdat men de aanslagen als een welkom drukmiddel op Israël beschouwde. Op 4 november 1995 schoot de jonge religieuze extremist Yigal Amir premier Rabin dood tijdens een vredesdemonstratie. In de maanden ervoor had de rechtse oppositie, zowel seculier als religieus, zich steeds feller tegen het vredesproces uitgesproken en sommigen hadden de regering Rabin vergeleken met de Judenrat. Shimon Peres volgde Rabin op, maar een serie aanslagen door Hamas en Islamitische Jihad leidde tot een overwinning van Likoed-kandidaat Benjamin Netanyahu bij de verkiezingen in 1996.
Onder Netanyahu werd de bouw van nederzettingen, door Rabin drastisch ingeperkt maar niet geheel gestopt, weer voortvarend ter hand genomen. Vanwege stagnatie in de uitvoering van de akkoorden en de opening van een omstreden tunnel onder de Al Aqsa Moskee (waar de fundamenten van de vroegere joodse tempel liggen), braken er in september 1996 op grote schaal rellen uit in Jeruzalem waarbij vele slachtoffers vielen. In 1997 trok het leger zich  terug uit het merendeel van Hebron en werd de Wye River overeenkomst getekend, die in verdere terugtrekking voorzag, alsmede gedetailleerde aanwijzingen om het terrorisme en opruiing tegen Israël tegen te gaan. Beide partijen hielden zich niet, of slechts zeer gedeeltelijk, aan hun afspraken.


Camp David en tweede Intifada

In 1999 kwam Ehud Barak van de Arbeidspartij aan de macht en kreeg een ruim mandaat voor zijn belofte het stukgelopen vredesproces voortvarend ter hand te nemen. Hij wilde af van de 'salami-strategie' (kleine stukjes land voor kleine stukjes vrede, die de extremisten aan beide kanten volop de gelegenheid gaven de boel te saboteren), en begon, onder leiding van US-president Clinton, in juli 2000 in Camp David onderhandelingen met de Palestijnen voor een definitieve vredesregeling. Hoewel Barak grotendeels de Amerikaanse voorstellen accepteerde (o.a. een deling van Jeruzalem waarbij de meeste Arabische buurten in Oost-Jeruzalem aan de Palestijnen werden overgedragen), kwamen die onvoldoende tegemoet aan de wens van de Palestijnen voor een volledig soevereine staat in geheel de Westelijke Jordaanoever en Gazastrook. Israël wilde de meeste nederzettingen behouden en de grote blokken annexeren. De Palestijnen op hun beurt hielden vast aan het 'recht op terugkeer' van alle Palestijnse vluchtelingen en hun nakomelingen, wat hoogstwaarschijnlijk tot een Arabische meerderheid in Israël zou leiden en dus een einde zou maken aan Joodse zelfbeschikking. Ook wilden zij soevereiniteit over de gehele oude stad van Jeruzalem. Volgens Palestijnse bronnen bood Israël de Palestijnen slechts "Bantustans", oftewel enclaves, die door Israëlische nederzettingen en te annexeren gebied van elkaar gescheiden zouden blijven. Dit betreft aanvankelijke Israëlische voorstellen, maar in de loop van de onderhandelingen gingen de Israëlische voorstellen verder, en uiteindelijk accepteerden zij een voorstel van de VS waarin 91% van de Westelijke Jordaanoever, in een aaneengesloten gebied, samen met de gehele Gazastrook, een Palestijnse staat zou vormen (zie kaart).


Deze en andere kaarten met toelichting van de voorstellen van Barak en Clinton zijn te vinden op MidEastWeb:
"MAPS: Projections of the Israeli offer at Camp David, the Israeli offer to Palestinians in December 2000, the Bridging Proposal of US President Clinton and the Israeli Offer of January 2001"


Op 28 september 2000 bezocht Sharon, de nieuwe leider van de Likoed, de Tempelberg. Barak had dit goedgekeurd zolang hij niet de Moskee zou betreden of opruiende taal zou gebruiken. Dit leidde tot grootschalige rellen, aanvankelijk in Jeruzalem, maar al snel in alle bezette gebieden, en markeerde het begin van de tweede intifada, ook wel Al-Aqsa Intifada genoemd. Hoewel de woede over Sharon's provocatieve bezoek aan de Tempelberg oprecht was, en frustraties over het vastlopen van de onderhandelingen en de weinige verbeteringen die al die jaren van praten hadden opgeleverd, een uitweg vonden, zijn er sterke aanwijzingen dat de intifada niet geheel spontaan was, en Sharon's bezoek slechts de aanleiding vormde voor een gewelduitbarsting die mede door de PLO en de PA was voorbereid. Vanaf het begin namen PA-politieagenten deel aan de rellen, en zonden radio en TV opruiende boodschappen uit. In juli 2000, vlak na het mislukken van de Camp David onderhandelingen, zei PA-official Abu Ali Mustafa: "The issues of Jerusalem, de refugees and sovereignty will be decided on the ground and not in negotiations. On this point it is important to prepare the Palestinian public on the next step, because without doubt we shall find ourselves into conflict with Israel in order to create new facts on the ground…. I believe the situation will be more violent than the intifada". Enkele maanden na het uitbreken van de tweede intifada vertelde PA communicatie minister Imad Al-Faluji tijdens een bijeenkomst voor vluchtelingen, dat de intifada was gepland door het PA leiderschap na het mislukken van Camp David (Morris, Righteous Victims, 2001, blz. 662). Waarschijnlijk vormde het succes van de Hezbollah in Libanon, evenals bij het uitbreken van de eerste intifada, een inspiratiebron voor de Palestijnen. In mei 2000 had het Israëlische leger zich geheel teruggetrokken uit Libanon, zonder vredesakkoord, zonder staakt-het-vuren. Dit werd alom als een nederlaag en teken van zwakte beschouwd: waarom pijnlijke concessies aan Israël doen als het ook zonder kon?
De VS riepen een topontmoeting bijeen tussen beide partijen, in samenwerking met president Mubarak van Egypte en koning Hussein van Jordanie, om een einde aan het geweld te maken en de vastgelopen onderhandelingen te heropenen. Zowel Israël als de Palestijnen beloofden een einde aan het geweld, en men kwam overeen dat een onderzoekscommissie onder leiding van de VS de oorzaken van het geweld zou onderzoeken en verslag zou uitbrengen aan de VN. Dit leidde tot het Mitchell verslag. Echter kort hierna werd op verzoek van Arafat een Arabische top gehouden in Cairo, waarin de Arabische Liga zijn steun voor de intifada uitsprak en een andere - door de VN in plaats van de VS geleide - onderzoekscommissie eiste 'om de Israëlische misdaden tegen de Palestijnen' te onderzoeken. Kort hierna maakte een zelfmoordaanslag in Jeruzalem ook in daden een einde aan de eerder overeengekomen wapenstilstand.
Hoewel Barak aanvankelijk weigerde verder te onderhandelen zolang het geweld voortduurde, stemde hij hiermee uiteindelijk toch in. Zowel Clinton als Barak stonden kort voor verkiezingen en wilden koste wat het kost snel resultaat boeken. Een vredesakkoord was de enige hoop het geweld alsnog te kunnen stoppen, en zonder dit zou Barak de verkiezingen vrijwel zeker verliezen. Dit bracht hem er dan ook toe de
'bridging proposals' van de VS te accepteren als basis voor een vredesakkoord. De Palestijnen aarzelden en gaven geen duidelijke reactie.


Deze en andere kaarten met toelichting van de voorstellen van Barak en Clinton zijn te vinden op MidEastWeb:
"MAPS: Projections of the Israeli offer at Camp David, the Israeli offer to Palestinians in December 2000, the Bridging Proposal of US President Clinton and the Israeli Offer of January 2001"

Deze voorstellen, die overigens niet erg gedetailleerd zijn, bevatten een aaneengesloten Palestijnse staat in ca. 95% van de Westoever met compensatie voor 1-3%, de ontmanteling van de meeste nederzettingen, deling van Jeruzalem en Palestijnse soevereiniteit over de Tempelberg en Israëlische over de Klaagmuur, en compensatie (maar geen 'recht op terugkeer' naar Israël) voor de vluchtelingen. Yasser Abed Rabbo, een PA-minister en vredesonderhandelaar, noemde deze voorstellen "one of the biggest frauds in history, like the Sykes-Picot Agreement" (Morris, Righteous Victims, 2001, blz. 671) (Volgens dat akkoord deelden Groot-Brittannië en Frankrijk na WOI delen van het op de Ottomanen veroverde Midden-Oosten onder elkaar op, waardoor Palestina onder Brits bestuur kwam). De Saudi-Arabische prins Bandar Ibn Sultan zei over de bridging proposals: "If Arafat does not accept what is available now, it won't be a tragedy, it will be a crime" (Dennis Ross, The Missing Peace, 2004, blz. 748).
De Palestijnen hielden echter, met steun van de Arabische Liga, vast aan soevereiniteit over geheel Oost-Jeruzalem inclusief de oude stad, en recht op terugkeer van alle vluchtelingen; uiteindelijk wees Arafat alle voorstellen van Clinton af.
[Zie ook op 'Israeli-Palestinian ProCon' en op 'Peace With Realism'.]


Deze en andere kaarten met toelichting van de voorstellen van Barak en Clinton zijn te vinden op MidEastWeb:
"MAPS: Projections of the Israeli offer at Camp David, the Israeli offer to Palestinians in December 2000, the Bridging Proposal of US President Clinton and the Israeli Offer of January 2001"


De vredesbesprekingen die in januari 2001 in Taba werden gehouden in een laatste poging tot overeenstemming te komen, leverden niets op, hoewel beide kanten aangaven dat er vooruitgang was geboekt en in een gemeenschappelijke verklaring aangaven dat zij "nog nooit zo dicht bij een overeenkomst waren geweest". Er bleven echter vele meningverschillen, onder andere over de vluchtelingen. Barak verbrak de besprekingen nadat Arafat een bijzonder hatelijke speech hield op het wereld economisch forum in Davos, waarin hij Israël 'fascistisch, kolonialistisch en moorddadig' noemde, en het ervan beschuldigde met uranium verrijkte granaten te gebruiken.
Op 6 februari 2001 werd de hardliner Sharon tot nieuwe premier van Israël gekozen. Zowel Clinton als Barak verklaarden dat hun voorstellen persoonlijk waren geweest, en hun geldigheid hadden verloren nu de besprekingen hadden gefaald. Een oorzaak van de vele misverstanden over wat wel en niet is aangeboden aan de Palestijnen, is dat er tijdens de onderhandelingen geen kaarten openbaar zijn gemaakt. Daardoor konden allerlei groeperingen vrij interpreteren wat volgens hun al dan niet geboden was. De kaarten die hier staan afgebeeld komen uit het boek van Denis Ross, die het Amerikaanse onderhandelingsteam voorzat, en geven de Amerikaanse voorstellen weer. De bridging proposals, non-paper van Moratinos, communique van de Arabische top in Cairo (zie de gelinkte webpagina's) en andere schriftelijke bronnen spreken voor zich zelf. Voor een analyse en opinie over het mislukte Oslo-vredesproces zie "The Peace Process is Dead, Long Live the Peace Process".

De tweede intifada was vanaf het begin gewelddadiger dan de eerste. De met stenen gooiende massa's waren vergezeld door PA politie- en veiligheidsmensen, en militanten schoten op Israëlische posities. Schietincidenten, en bomaanslagen vormden de essentie van de intifada. Aanvankelijk richtte het geweld zich vooral op nederzettingen alsook religieuze symbolen in de Westelijke Jordaanoever, zoals Jozefs graf in Nablus, Rachels graf in Bethlehem en de synagoge in Jericho, maar na verloop van tijd vormden zelfmoordaanslagen op burgerdoelen in Israël, zoals restaurants en bussen, een steeds belangrijker onderdeel. Men wilde Israël in haar hartland raken, en de boodschap was duidelijk: zolang wij niet vrij en veilig zijn, zullen jullie dat ook niet zijn. Sommige Israëli's lezen hier ook de boodschap in dat de Palestijnse extremisten inderdaad heel 'historisch Palestina' wilden bevrijden, en geen onderscheid zien tussen nederzettingen in de bezette gebieden en Israëlische steden.
Was Israëls reactie aanvankelijk, ondanks valse aantijgingen van de Palestijnen van het gebruik van gifgas en grootschalige moordpartijen, relatief terughoudend, dit veranderde zowel vanwege de zelfmoordaanslagen als een gunstiger internationaal klimaat voor harde actie na de aanslagen op de Twin Towers. Ook het onderscheppen van een schip volgeladen met illegale wapens voor de Palestijnen, afkomstig van Iran, en Palestijnse demonstraties voor Bin-Laden, hebben hieraan bijgedragen. Israël begon met het gericht liquideren van leiders van terroristische organisaties, en nadat in maart 2002 een record aantal aanslagen waren gepleegd waarbij 120 burgers omkwamen, herbezette Israël een aantal Palestijnse steden. Met name in Jenin, vanwaaruit de meeste aanslagen werden gepleegd, is hard gevochten, en de Palestijnen beweerden dat Israël hier massaslachtingen van honderden, zoniet duizenden burgers had aangericht, waarna demonstraties in de Arabische wereld en wereldwijde afkeuring van Israëls optreden volgden. De VN eiste een onderzoek, maar Israël maakte bezwaar tegen de samenstelling en opdracht van de VN-missie. Het wantrouwen tegen de VN was groot, mede aangewakkerd door de blamage van de anti-racisme conferentie in Durban in 2001. Tenslotte volstond Kofi Annan met rapportages van derden die Jenin bezochten, waaronder Human Rigths Watch. Hoewel diverse mensenrechtenschendingen werden bericht, bleek van een massaslachting geen sprake. In Jenin waren ruim 50 Palestijnen omgekomen, waarvan de meesten gewapend. (Uitvoerig VN-rapport over Jenin / een weerwoord op JVL)
Tijdens de bezetting van Ramallah bemachtigde Israël documenten waaruit bleek dat Arafat persoonlijk betrokken was bij de organisatie van terroristische cellen, en dat het PA ministerie van financiën de terroristen had betaald voor de aanschaf van explosieven. Israël omsingelde Arafats hoofdkwartier, de Muqata, en de Geboortekerk in Bethlehem waar Palestijnse militanten zich hadden verschanst. Na weken werd een compromis gevonden waarbij sommige terroristen werden verbannen of gevangen genomen, en andere vrijuit gingen. Onder druk van de VN en de VS trok Israël zich gedeeltelijk terug uit Palestijnse steden, maar viel opnieuw binnen na een golf van aanslagen. Ook de Muqata werd opnieuw omsingeld, en voor een groot deel verwoest. Velen dachten dat Israël Arafat zou doden, en opnieuw werden internationaal harde veroordelingen uitgesproken. De - ook in de Arabische wereld veel bekritiseerde - Arafat veranderde in een levende martelaar, terwijl verschillende internationale vredesactivisten naar de Muqata kwamen om als menselijk schild te dienen. Ondertussen probeerde de VS, die alle belang had bij rust tussen beide partijen vanwege zijn conflict met Irak, de partijen tot onderhandelingen te bewegen, en riep op tot diepgaande hervormingen van de PA, ontmanteling van de terroristische organisaties en de oprichting van een Palestijnse staat.

 
Op 31 juli 2002 werd de kantine van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem verwoest bij een bomaanslag door Hamas; er vielen 9 doden en 14 zwaargewonden.
Tweede foto: een zelfmoordaanslag op een bus in Jeruzalem eiste ook zeer jonge slachtoffers.



Routekaart en Geneefs Akkoord

De VS gaf dit concreter gestalte in de, samen met Europese en andere diplomaten (het zogenaamde "Kwartet") ontwikkelde "Routekaart naar de Vrede", die door beide partijen met de nodige reserveringen en tegenzin werd geaccepteerd. In april 2003 werd, onder druk van zowel de VS als hervormingsgezinde Palestijnen, Machmoud Abbas tot premier benoemd, en kort daarna ontmoetten hij en Sharon elkaar. Abbas riep op tot een einde aan het geweld. Deze oproep werd spoedig beantwoord door de Hamas met nieuwe aanslagen, en Israëlische liquidaties van Hamasleiders. Abbas ondernam enige actie om het terrorisme tegen te gaan zoals vereist in de Routekaart, maar werd tegengewerkt door Arafat, die de veiligheidsdiensten terug in handen van zijn supporters bracht. In september trad Abbas af, en benoemde Arafat hardliner Achmed Qurei tot nieuwe premier. Het is nooit tot een ontmoeting tussen Qurei en Sharon gekomen.
Als gevolg van de herbezetting van Palestijnse steden en verkregen inlichtingen nam het aantal zelfmoordaanslagen in de loop van 2002 af, terwijl het aantal verijdelde aanslagen onverminderd hoog bleef.
In het najaar van 2003 presenteerden oppositieleiders van beide kanten het 'Geneefse Akkoord', waarin beide kanten historische concessies doen om tot een vredesregeling te komen. Er zou een Palestijnse staat komen in bijna geheel de pre-1967 grenzen, met een één-op-één land ruil van zo'n 3% voor enkele Israëlische nederzettingenblokken. Jeruzalem zou worden gedeeld met Palestijnse soevereiniteit over de Tempelberg en Israëlische over de Klaagmuur. De Palestijnse vluchtelingen kunnen terugkeren naar de toekomstige Palestijnse staat, en een symbolisch aantal naar Israël. Hoewel het akkoord geen enkele legale status heeft, kreeg het wereldwijde publiciteit en spraken verschillende mensen, waaronder VS minister van buitenlandse zaken Colin Powell, er hun steun voor uit. Sharon sprak zijn afkeuring uit en de opstellers van het akkoord kregen veel kritiek in eigen land.


De afscheidingsbarrière (Apartheidsmuur, veiligheidshek)

In 2003 begon Israël met de bouw van een afscheidingsbarrière rond de Westoever om aanslagen in Israël tegen te gaan. Het was oorspronkelijk een plan van de Arbeidspartij, maar dan wel langs de Groene Lijn (pre-1967 grens). De Likoed nam het idee over maar wilde hem om een aantal nederzettingen heen bouwen, waardoor de route voor een groot deel over bezet gebied, en soms dwars door Palestijnse dorpen kwam te lopen. De barrière riep dan ook veel verzet op van Palestijnen, Arabische landen en vredesactivisten, die een intensieve campagne startten, en de VN wijdde er een speciale noodzitting aan, en droeg het Internationale Hof van Justitie (ICJ) op een onderzoek te doen naar de legaliteit van deze barrière. Israël boycotte het ICJ, en de VS en de meeste leden van de EU vonden dat het ICJ hier niet over moest oordelen omdat het een politieke kwestie is, geen puur juridische. Tijdens de hoorzittingen organiseerden sympathisanten voor beide kanten demonstraties, en Israël bracht een door een aanslag vernielde bus naar Den Haag. Zowel de hoorzitting en de uitspraak betroffen niet alleen de muur, maar de bezetting en de Israëlische nederzettingen, en de muur werd voor velen een symbool van de bezetting en de onderdrukking van de Palestijnen. Op 9 juli deed het ICJ zijn uitspraak, die vernietigend was voor Israël, en de Palestijnen volledig in het gelijk stelde, en opriep tot het afbreken van de barrière. Hoewel Israël direct aangaf zich hier niet aan te zullen houden, werd, onder druk van het Israëlische hooggerechtshof, de route aangepast ten gunste van de Palestijnen, en komt volgens de huidige planning nog uiteindelijk ca. 7% in plaats van de oorspronkelijke 16% van de Westelijke Jordaanoever aan de Israëlische kant van de barrière. Desondanks blijven pro-Palestijnse groeperingen beweren dat Israël met de 'muur' de Westoever in verschillende enclaves wil opdelen en ca. 50% ervan bij Israël wil annexeren.


Kaart met toestemming overgenomen van "Israeli Security Barrier ("Wall")-- Current Status (2005) and Evolution"
van MidEastWeb for Coexistence.



Disengagement plan, Kadima, Israël na Sharon en de Tweede Libanonoorlog

Net als de afscheidingsbarrière was het plan om zich eenzijdig terug te trekken (disengagement) uit delen van de bezette gebieden, oorspronkelijk afkomstig van de Arbeidspartij, en zwaar bekritiseerd door de Likoed. Eind 2003, toen Arafat nog hoofd van de Palestijnse Autoriteit was, sprak Sharon voor het eerst over eenzijdige terugtrekking uit de Gazastrook. Zolang er geen vredesakkoord met de Palestijnen kon worden gesloten, moesten de afscheidingsbarrière en eenzijdige terugtrekking de frictie met de Palestijnen verminderen, in afwachting van betere tijden. Sharons plannen werden fel bekritiseerd door de meeste andere Likoed-ministers, en tijdens een stemming onder leden in mei 2004 werd het plan afgewezen. Likoed is altijd principieel tegen het opgeven van (delen van) Gaza, Judea en Samaria (zoals zij de Westelijke Jordaanoever noemen) geweest, zowel om religieuze, nationalistische als veiligheidsredenen. De redenen om Gaza te verlaten waren vooral strategisch: steeds meer mensen zagen in dat het onhoudbaar is 7000 kolonisten tussen 1,2 miljoen vijandige Palestijnen te handhaven, en dat Gaza toch nooit een onderdeel van Israël zou worden. De bezetting van Gaza had aan beide kanten al tot veel slachtoffers geleid: het meeste geweld vond plaats in Gaza. Een meerderheid van de Israëli's was dan ook voor de ontruiming, en na de nodige politieke trammelant werd in februari 2005 de ontruiming van de Gazastrook en  4 geïsoleerde nederzettingen op de Westoever, door zowel de regering als de Knesset goedgekeurd. Ondanks felle protesten vanuit zijn eigen partij en het opstappen van enkele ministers, was Sharon vastbesloten het plan uit te voeren. Israëls rechterkant, met name de religieuze Zionisten, protesteerden hevig en sommigen waarschuwden zelfs voor een burgeroorlog als 'joden joden van hun land zouden verdrijven'. Er was echter ook kritiek van links: sympathisanten van de Palestijnen beweerden dat het plan een truuk zou zijn om de Westelijke Jordaanoever te kunnen houden. Hoewel het zeker Sharons doel was zoveel mogelijk hiervan te kunnen houden, was dit plan veeleer ingegeven door de situatie in Gaza, alsmede internationale (met name Amerikaanse) druk. De evacuatie in augustus verliep uiteindelijk rustig, en zowel voor- als tegenstanders waren verrast door dit goede verloop. Begin september verliet ook het IDF de Gazastrook. Israël blijft de grens met Gaza controleren alsmede het luchtruim en de kust. Egypte controleert de zuidgrens na afspraken met Israël en het Westen.
De terroristische beweging Hamas, verantwoordelijk voor de meeste Israëlische slachtoffers in Gaza, claimde dat zij met hun verzet de Israëli's uit de Gazastrook hadden verdreven.

Nadat Amir Peretz de verkiezingen voor het leiderschap van de Arbeidspartij won en deze zich uit de regeringscoalitie terugtrok, brak premier Sharon met zijn partij Likoed, en richtte de nieuwe centrumpartij Kadima op, waarmee hij de parlementsverkiezingen in maart 2006 wilde ingaan. Door twee hersenbloedingen raakte Sharon echter begin januari in een coma, waarmee zijn politieke rol definitief was uitgespeeld. Zijn vice-premier en opvolger als Kadima-leider Ehud Olmert won daarop de verkiezingen en vormde een nieuwe regering met o.a. de Arbeidspartij, waarvan de verwachting was dat deze tot verdere eenzijdige terugtrekkingen uit delen van de Westelijke Jordaanoever zou besluiten. Hiervoor was aanvankelijk draagvlak onder de Israëlische bevolking, maar de sterk toegenomen raketbeschietingen met Qassams vanuit de Gazastrook op met name de Israëlische stad Sderot heeft dit draagvlak sterk verkleind, evenals de toegenomen wapensmokkel vanuit Egypte naar de Gazastrook. Na de Libanon-oorlog werd besloten om verdere disengagement-plannen voorlopig in de ijskast te zetten.

De Libanon-oorlog brak onverwacht uit nadat Hezbollah een overval op een Israëlische grenspatrouille had gepleegd, waarbij 2 soldaten ontvoerd en een aantal anderen gedood werden. Ook bestookte Hezbollah Israëlische grensplaatsen met raketten. Israël reageerde met een grootschalig offensief, waarbij het  Hezbollah-lokaties, zowel in het zuiden als in Beiroet, en Libanese infrastructuur zoals wegen en bruggen en zelfs een electriciteitscentrale bombardeerde. De bombardementen konden niet voorkomen dat Hezbollah duizenden Katjoesja-raketten op Israël afvuurde, en na lang aarzelen stuurde Israël alsnog grondtroepen om Zuid-Libanon te bezetten. Na 34 dagen oorlog had de VN-veiligheidsraad Resolutie 1701 aangenomen die opriep tot een wapenstilstand en ontwapening van Hezbollah, een versterking van de internationale troepenmacht in Zuid-Libanon alsmede stationering van het Libanese leger. De oorlog had desastreuze gevolgen voor Libanon, met een miljardenschade en meer dan 1.000 doden (waarvan het merendeel burgers), maar werd desondanks door Hezbollah als een overwinning gevierd omdat Israël de raketten niet kon stoppen en het leiderschap van Hezbollah ongedeerd bleef. Voor Israël was het om deze redenen een relatieve nederlaag, met eveneens grote schade en circa 160 doden. Door de strategische en logistieke fouten kwam de regering Olmert in Israël onder zware kritiek te staan, terwijl de internationale gemeenschap vooral Israëls aandeel in de oorlog fel veroordeelde. (Zie ook het commentaar: "
De gevolgen van de Libanon oorlog".)
Ami Peretz is inmiddels zowel als partijleider van de Arbeidspartij als defensieminster vervangen de voormalige premier Ehud Barak.
Van de ontwapening van Hezbollah is niks terechtgekomen,
daar noch de versterkte UNIFIL troepen, noch het Libanese leger de confrontatie met Hezbollah aandurft. Ook wordt er nauwelijks opgetreden tegen de herbewapening van Hezbollah via Syrië, zodat gevreesd moet worden voor een nieuw conflict.


De Palestijnen na Arafat: Abbas en Hamas en de eenheidsregering

Op 11 november 2004 stierf de Palestijnse leider Yasser Arafat in een ziekenhuis in Parijs. Machmoud Abbas werd tot tijdelijke nieuwe president benoemd, en in januari 2005 won hij met een ruime meerderheid de verkiezingen. In tegenstelling tot Arafat veroordeelde hij de intifada en zei op een vreedzame manier voor een Palestijnse staat te zullen strijden. Hij stelde zich echter compromisloos op wat betreft Jeruzalem en de vluchtelingen. Kort na zijn verkiezing had Abbas ontmoetingen met zowel Bush als Sharon, die beiden altijd hadden geweigerd Arafat te ontmoeten, en beloofden beiden een einde aan het geweld. De meeste Palestijnse gewapende groepen kwamen kort daarna een Tahadiyeh, een periode van kalmte, overeen, waarna Israël zich uit enkele Palestijnse steden terugtrok. Zowel Israël als de PA verijdelden verschillende aanslagen. Beide kanten schonden echter het informele staakt-het-vuren, en kwamen ook hun verplichtingen wat betreft de Routekaart niet na: Israël kondigde uitbreidingsplannen voor de nederzettingen aan en de Palestijnen weigerden de militanten te ontwapenen en 'wanted men' te arresteren. Deze militanten pleegden succesvolle en onsuccesvolle aanslagen en raketaanvallen, en Israël arresteerde en liquideerde verschillende militanten, en verijdelde diverse aanslagen, waaronder een poging van een Palestijnse vrouw zich in een Israëlisch ziekenhuis waar zij werd behandeld, op te blazen. Pogingen van Abbas de facties aan het staakt-het-vuren te houden, en zijn uitnodiging om deel te nemen in de regering, hadden geen succes, en Israël startte een militaire campagne tegen de Hamas en Islamitische Jihad. De terugtrekking uit de Gazastrook kon de impasse helaas niet doorbreken. Israël was van mening dat de Palestijnen nu aan zet waren, door te laten zien dat ze in de Gazastrook de orde kunnen handhaven en het terrorisme bestrijden. De Gazastrook leek echter te vervallen in anarchie en geweld.

In januari 2006 werden de Palestijnse parlementsverkiezingen gewonnen door de Hamas, die voor het eerst meedeed, en die vervolgens de nieuwe regering vormde nadat Fatah geweigerd had een coalitieregering te vormen. De Palestijnse Autoriteit, waarvan Abbas nog steeds president was, raakte verwikkeld in een machtsstrijd. Intussen werd de internationale steun aan de PA grotendeels opgeschort, daar zowel de VS als de EU Hamas als een terroristische organisatie beschouwen. Voor hervatting van de steun werd geëist dat Hamas Israël erkent, verklaart eerdere akkoorden van de PA met Israël te zullen eerbiedigen, en het geweld afzweert. Terwijl er internationaal afspraken werden gemaakt om de Palestijnse bevolking te ondersteunen buiten de Hamas om, voerden kleinere terroristische groepen zoals de Islamitische Jihad hun beschietingen van Israël met Qassam raketten op. Israëlische tegenbeschietingen in de Gazastrook, waarbij een Palestijnse familie dodelijk werd getroffen, waren voor de Hamasregering in juni 2006 aanleiding om de 'kalmte' te beëindigen en met nieuw geweld te dreigen. Kort daarop werd een Israëlische soldaat ontvoerd en 2 andere gedood. Nadat bemiddeling niets opleverde, viel het Israëlische leger de Gazastrook binnen om hem te bevrijden en om de Qassam beschietingen te stoppen en wapensmokkel tegen te gaan. Na een maandenlange campagne, waarbij enkele honderden Palestijnen omkwamen, trok het Israëlische leger zich in november terug zonder haar doelen bereikt te hebben. Wel werd eind november een nieuwe wapenstilstand in Gaza overeengekomen tussen Israël en Hamas, maar de
Islamitische Jihad c.s. hielden zich hier niet aan en bleven Qassams afvuren.

In het voorjaar van 2006 werd een nationaal verzoeningsdocument opgesteld door Palestijnse militanten in Israëlische gevangenschap (het zg. "Palestijnse Gevangenendocument"), dat door velen ten onrechte werd uitgelegd als een impliciete erkenning van Israël. Nadat Abbas dit document aanvankelijk leek te willen gebruiken om zijn positie tegenover Hamas te versterken, bereikten Fatah en de Hamas later overeenstemming over een aangepaste formulering van het Gevangenendocument, waardoor dit nog explicieter de compromisloze houding van Hamas vertolkte. In het najaar van 2006 probeerden Fatah en Hamas een gezamelijke regering te vormen. Het voornaamste twistpunt bleef hierbij dat Hamas zich zou moeten uitspreken voor erkenning van Israël en het respecteren van eerdere overeenkomsten. Nadat Abbas in november met nieuwe verkiezingen dreigde, brak op grote schaal geweld uit tussen aanhangers van Hamas en Fatah, met name in de Gazastrook. Hieraan kwam een einde toen op 8 februari 2007 alsnog een Palestijnse eenheidsregering werd overeengekomen, die op 17 maart werd geinstalleerd en haar programma presenteerde. Dit regeerakkoord kwam onvoldoende tegenmoet aan de Westerse voorwaarden voor hervatting van de financiële steun, maar kon op meer goodwill van de islamitische landen rekenen, zoals Saoedi-Arabië, dat bemiddelde tussen Fatah en Hamas. De eenheidsregering kwam echter al in juni ten val, toen Hamas met geweld de macht veroverde in de Gazastrook. Abbas riep daarop de noodtoestand uit, ontbond de regering op de Westoever, en stelde een nieuwe voorlopige regering samen zonder Hamas, die internationaal wordt erkend als de enige legitieme vertegenwoordiging van de Palestijnen.


© Dit artikel is copyright Israël-Palestina Informatie, afgezien van onderdelen waarvoor andere bronnen worden vermeld. Voor overname gelieve kontakt met ons op te nemen via het e-mail adres. Beperkte citaten voorzien van een link naar deze webpagina zijn toegestaan.
________________________________________

.
Websites over Israël-Palestina en het Midden-Oosten Conflict:
A Brief History of Israel and Palestine and the Conflict,
   The Early History of Zionism and the Creation of Israel, and many other articles on
   MidEastWeb for Coexistence - Middle East news & background, history, maps and opinions

Wikipedia categories Israel and Zionism, Palestine and Middle East  
* Council for Peace and Security (Israel) * One Voice Movement
*
Ariga's PeaceWatch - on the Israeli-Palestinian conflict and Middle East peace

Middle East Analysis * Israel News * Israel: Like This, As If (blog)
*
Zionism and Israel Information Center
ZioNation - Progressive Zionism and Israel Web Log
IMO - Israël & Midden-Oosten Blog (Nederlandstalig)
Virtuele Encyclopedie van het Conflict Israël-Palestina (Nederlandstalig)
* Israël Informatie Linkpagina (Nederlands / Engels)
* Israël & Palestijnen Nieuwsblog (Nederlands / Engels)