Israël, de Palestijnen
en het Midden-Oosten conflict
De
Zesdaagse Oorlog (5-10 juni 1967)
(laatste update 21-6-2007)
1. Achtergrond
a. Opmaat
2. De oorlog
a. Egypte
b. Jordanië
c. Syrië
d. Evaluatie
3. Gevolgen
van de oorlog
a. Verliezen
b. Uitputtingsoorlog
c. VN-resolutie
d. Israël en de
bezette gebieden
e. Ruimte voor vrede
f. Nieuw beeld en
positie van Israël
g. De Palestijnen
Verder lezen
________________________________
Achtergrond
Tussen Israël en Syrië speelden in de jaren '60
meerdere
conflicten: Israël ging water uit het Meer van Galilea
gebruiken
om delen van het land te irrigeren. Hoewel dit overeenkomstig gemaakte
afspraken was, probeerde Syrië dit te verhinderen door de
rivieren
die in het Meer van Galilea uitmonden, om te leiden.
Daarnaast steunde Syrië met wapens en trainingskampen (onder
meer
bij Quneitra op de Golan) de in 1959 opgerichte Palestijnse Fatah
beweging, die vanaf december 1964 - vaak vanaf Jordaans grondgebied -
aanslagen tegen Israël uitvoerde.
Verder was er onenigheid over de gedemilitariseerde zones (DMZ's) op de
grens tussen Israël en Syrië. Volgens de
wapenstilstandsovereenkomst hadden beide landen formeel het recht hun
gebied te cultiveren, maar Israël gebruikte dit cultiveren
(met
gepanserde tractoren) vaak om Syrische beschietingen uit te lokken. Die
beschietingen gaven Israël dan een excuus om de installaties
aan
te vallen waarmee Syrië de rivieren omleidde of om wraakakties
uit
te voeren voor de aanslagen van Fatah. De aanvallen escaleerden soms
tot beschietingen op Israëlische dorpen en luchtgevechten.
In 1964
verklaarde de Arabische Liga haar
doel om 'geheel Palestina van Zionistisch imperialisme' te bevrijden,
en richtte de PLO op die onder Egyptische patronage
kwam. Ook werd een alliantie (de United
Arab Command)
gesloten tegen het Israëlische waterplan, en werden plannen
uitgewerkt voor een oorlog in of na 1967. Egypte zou het bevel voeren
over de troepen en Jordanië moest Saoedische, Irakese en
Palestijnse troepen op zijn grondgebied toelaten. Egypte zou UNEF, de
VN-vredesmacht op de Sinaï, naar huis sturen. Deze afspraken
werden toen niet nagekomen, uit angst een oorlog uit te lokken voor men
er klaar voor was en vanwege allerlei onenigheden en rivaliteiten die
de relaties tussen de Arabische staten kenmerkten.
De Fatah beweging noemde de Israëlische waterplannen
imperialistisch en riep op tot oorlog tegen Israël. Vanaf eind
1964 voerde Fatah meer dan 100
aanvallen uit, meestal vanaf Jordaans grondgebied.
Het betrof vaak het leggen van mijnen op Israëlisch gebied of
het
opblazen van infrastructuur. Israël zette Jordanië
onder druk
om op te treden tegen de grensaanvallen, maar voerde ook soms ter
afschrikking vergeldingsaanvallen uit op plaatsen op de Westoever waar
men de terroristen vermoedde en die men medeverantwoordelijk hield
vanwege het onderdak bieden, zoals in Samua op 13 november 1966. Deze
aanval werd hard veroordeeld door de VN en ook door Westerse
bondgenoten, met name omdat het Jordaanse leger er onbedoeld bij
betrokken raakte en het de positie van de gematigde koning Hussein
schaadde. Hussein beschuldigde Syrië en Egypte van lafheid
omdat
ze hem niet te hulp waren gekomen; Egypte beweerde dat dit niet was
gebeurd als Hussein Irakese en Saoedische troepen op zijn grondgebied
had toegelaten. Dergelijke beschuldigingen, en verwijten van
collaboratie met het Westen en het Zionisme, verraad aan de Arabische
zaak, etc. waren aan de orde van de dag en resulteerden soms zelfs in
boycots van officiële Arabische bijeenkomsten.
De aanvallen van Fatah, en allerlei kleinere groepjes met namen als
'Helden van de Terugkeer', kregen veel aandacht in de Arabische wereld,
en werden gezien als contrast met de Egyptische president Nasser, die
zich als leider van de Arabische landen presenteerde en veelvuldig
beloofde aan het onrecht in Palestina een einde te maken, maar niks
deed. Arafat - toen leider van Fatah en niet van de PLO - beschuldigde
Egypte van lafheid en inactie tegenover Israël. Pijnlijk voor
Egypte was ook het feit dat na de Suez Crisis van 1956 (waarin na
Egyptes nationalisatie van het Suezkanaal, Israël met de hulp
van
Frankrijk en Groot-Brittannië de Sinaï veroverde),
als
voorwaarde voor Israëlische terugtrekking een VN-troepenmacht
op
zijn grondgebied werd gestationeerd.
Als gevolg van de daadkracht van Fatah voelde Nasser zich verplicht
zich harder op te stellen tegenover Israël, en dit heeft als
katalysator gediend voor de gebeurtenissen die tot de Zesdaagse Oorlog
leidden.

Arabische
cartoon van Nasser die de Joden de zee in schopt.
Opmaat
In mei 1967 beweerde de Sovjet-Unie dat Israël een
aanval op
Syrië voorbereidde, en zijn troepen langs de grens aan het
samentrekken was. De VN verklaarde na onderzoek dat deze bewering
onjuist was, maar Syrië zocht hulp bij Egypte en beide landen
sloten een pact. Egypte begon steeds oorlogszuchtiger taal uit te
slaan, en bracht grote aantallen troepen in de Sinaï. Op 16
mei
verklaarde Nasser op Radio Cairo: "The
existence of Israel has continued too long. We welcome the Israeli
aggression. We welcome the battle we have long awaited. The peak hour
has come. The battle has come in which we shall destroy Israel."
Op dezelfde dag verzocht Egypte de VN haar troepenmacht in de
Sinaï terug te trekken, die hier met Egyptische toestemming
was
gestationeerd na de Suez Crisis. U Thant, de secretaris-generaal van de
VN, willigde dit verzoek vrijwel onmiddellijk in, tot verbazing van
sommigen. Een week later sloot Egypte de Straat van Tiran voor
Israëlische scheepvaart. PLO-voorzitter Shukairy zei in een
speech
voor de VN: "It will be
our privilege to strike the first blow".
Een stroom van dergelijke oorlogsretoriek kwam van diverse Arabische
landen. Op 30 mei sloot Jordanië zich (onder Egyptische druk)
bij
Egypte en Syrië aan, en Irak volgde op 4 juni, nadat de
Irakese
president Rahman Aref op 31 mei had verklaard: "This
is our opportunity to wipe out the ignominy which has been with us
since 1948. Our goal is clear--to wipe Israel off the map".
Volgens de historicus Michael Oren blijkt uit recentelijk vrijgegeven
documenten dat Egypte Israël wilde aanvallen op 28 mei, de
zogenaamde operatie Dawn.
Israël ontdekte de plannen en bracht de VS op de hoogte, die
op
zijn beurt de Sovjet-Unie waarschuwde, waarna Egypte het plan afblies.
Het plan kwam uit de koker van Veldmaarschalk Amer, de machtigste man
binnen het leger. Hoewel Nasser bij tijden zijn twijfels uitte over de
mogelijkheid Israël te verslaan, wees hij het plan niet af.
Egyptes vertrouwen in een overwinning was sterk gegroeid vanwege de
passieve houding van zowel Israël als de internationale
gemeenschap in reactie op het terugsturen van de VN-vredesmacht en het
blokkeren van de haven van Eilat.
Israël zocht meermaals de steun van de VS en de VN om de
waterwegen weer geopend te krijgen, conform de afspraken na de
Israëlische terugtrekking in 1956. De VS beloofde een
internationale vloot (de Regatta) te creëren die de Straat van
Tiran moest openen, maar kreeg hier onvoldoende steun voor in de
VN. VS-ambassadeur
Smythe in Syrië waarschuwde
zijn regering dat VS-druk om de waterwegen voor Israël te
openen
op problemen met de Arabische staten zou stuiten, en dat
Israël
dit risico niet waard was. Israël probeerde ook om een
toezegging van de VS te krijgen dat het haar militair zou steunen in
het geval van een Arabische aanval, maar de VS weigerde dit, mede omdat
het naast de 'problemen' in Vietnam niet op nog een avontuur zat te
wachten. Ook wilde men Israël niet het groene licht geven zelf
als
eerste aan te vallen, omdat dit de VS belangen in het Midden-Oosten kon
schaden. In een memorandum aan president Johnson schrijft
minister van buitenlandse zaken Dean Rusk
dat hij alles moet doen om een oorlog te voorkomen, en is sprake van
een 'compromis' waarin Israël zich neer moet leggen bij de
Egyptische afsluiting van de waterwegen. De VS bleef zich, ondanks
uitspraken dat Israëls welzijn haar ter harte ging, strikt
neutraal opstellen, zoals nog op 5 juni verwoord in een
communiqué van woordvoerder Robert McCloskey van het State
Department: "The
U.S. position is neutral in word, thought and deed."
Israëlische
en Amerikaanse
inschattingen waren dat Israël een oorlog met de Arabieren
vrij
makkelijk kon winnen, maar dat er duizenden soldaten bij konden
sneuvelen, en het was twijfelachtig of er genoeg materieel en munitie
beschikbaar was voor een wekenlange oorlog zonder Amerikaanse
bevoorrading. De regering liet 10.000 graven delven en ca. 14.000
ziekenhuisbedden klaarmaken. Het Israëlische publiek was bang
en
geloofde dat er een fatale dreiging was. Immers, terwijl Egypte en
Syrië waren uitgerust met grote hoeveelheden modern wapentuig
van
de Sovjet-Unie, had Israël vooral ouder materiaal uit de jaren
'50. Voor 1967 kreeg Israël nauwelijks militaire steun van de
Verenigde Staten, en was Frankrijk de belangrijkste wapenleverancier.
Op 5 juni, nadat Israël Egypte had aangevallen, zei de
Sovjet-ambassadeur in Jordanië tegen VS-ambassadeur Burns: "Our
estimate is that if the Israelis do not receive arms, we think the
Arabs will win the war if they are allowed to fight it to the finish."
Israëlische officieren riepen vanaf de Egyptische sluiting van
de Straat van Tiran op tot oorlog om Egypte voor te
zijn, en omdat het voor Israël onmogelijk was zijn leger voor
langere tijd volledig gemobiliseerd te houden (de Israëlische
bevolking telde ca. 2,5 miljoen mensen, waarvan alle mannen van onder
de 50 waren gemobiliseerd, wat een zware tol eiste van de samenleving).
Premier Eshkol echter aarzelde en hoopte tot op het laatst oorlog te
kunnen vermijden en bleef zoeken naar een diplomatieke oplossing. Onder
druk van het Israëlische publiek besloot de linkse regering op
1
juni een regering van nationale eenheid te vormen (waarin voor het
eerst ook de rechtse Herut - voorloper van de Likoed - werd opgenomen),
en werd de strijdlustige Moshe Dayan minister van defensie.
Op een kabinetsbijeenkomst op zondagochtend 4 juni werd besloten de
aanval in te zetten, nadat duidelijk was dat de VS geen aktie zou
ondernemen, noch ten behoeve van Israël, noch tegen een
Israëlische aanval.

Het
Israëlische leger aan de vooravond van de oorlog.
De
oorlog
Israël beschikte over 250.000 tot 275.000 manschappen (waarvan
zo'n 200.000 reservisten), 200 tot 250 vliegtuigen en 1.100 tanks. De
Arabische legers hadden samen ongeveer 250.000 manschappen paraat
(exclusief 50.000 in Jemen), 530 vliegtuigen en 1.500 (of volgens
sommigen 2.800) tanks. Daarvan had Egypte 180.000 manschappen
(inclusief de 50.000 in Jemen), ca. 420 vliegtuigen en 900 tanks;
Jordanië 56.000 manschappen (exclusief meerdere Irakese
brigades),
24 vliegtuigen en 294 tanks (inclusief 30 Irakese tanks), en
Syrië
70.000 manschappen, 94 vliegtuigen en 300 tanks.
Zoals reeds vermeld waren Egypte en Syrië uitgerust met
moderne
wapens van de Sovjet-Unie, terwijl Israël vooral beschikte
over
ouder materieel uit de jaren '40 en '50. Verzoeken om nieuwe wapens aan
de VS werden doorgaans geweigerd, en sinds de bekoeling van de relatie
met Frankrijk begin jaren '60 had Israël geen goede bron voor
wapens meer.
Alleen een verrassingsaanval kon Israël beslissend voordeel
opleveren, en voorkomen dat de oorlog zo lang zou duren dat
Israël
door munitie en ander materieel zou raken. Bovendien was de inschatting
dat bij zware verliezen aan Arabische kant de Sovjet Unie een
staakt-het-vuren zou afdwingen.

Israëlische
luchtmacht van overwegend Franse makelij.
Egypte
In de ochtend van 5 juni viel Israël de Egyptische vliegvelden
aan
en vernietigde in een paar uur tijd de gehele luchtmacht van Egypte,
zonder grote verliezen aan haar kant. De Egyptische veldmaarschalk Amer
zat die ochtend zelf in de lucht en verbood daarom het leger om
luchtafweer te gebruiken uit angst dat zijn eigen vliegtuig geraakt zou
kunnen worden.
Op de radio liet Israël verkondigen dat Egypte met vuren was
begonnen, een bericht dat ook door internationale media werd
overgenomen. Egypte beweerde ten onrechte dat men 160
Israëlische
vliegtuigen had neergehaald en aan de winnende hand was.
Na het vernietigen van de Egyptische luchtmacht trokken
Israëlische tanks en troepen de Sinaï-woestijn in,
met steun
van parachutisten die de artillerie uitschakelden. De Egyptische
troepen waren overrompeld en ontvingen tegenstrijdige orders van hun
superieuren. In de avond van 6 juni gaf Nasser zijn troepen het bevel
tot terugtrekking, maar wees een dag later nog een staakt-het-vuren af
tenzij Israël zich tot de grens zou terugtrekken.
Israëlische
tankdivisies (waaronder die van Ariel Sharon) slaagden er deels in de
terugtrekkende Egyptische troepen de pas af te snijden en namen
duizenden krijgsgevangenen.
Op de avond van 8 juni accepteerde Nasser een staakt-het-vuren, maar
toen had Israël al de hele Sinaï veroverd. Nasser
verklaarde
zijn verlies met de bewering dat Israël Amerikaanse luchtsteun
had
gekregen.
Op 8 juni vond een dramatisch incident plaats: de Israëlische
luchtmacht en marine vielen een Amerikaans marineschip van de CIA aan,
de USS Liberty, die circa 20 km van de kust van de Sinaï lag
en
werd aangezien voor een Egyptisch schip. Het schip werd bijna tot
zinken gebracht en 34 bemanningsleden kwamen bij de aanval om. De
overlevenden beweerden dat het schip duidelijk als Amerikaans
herkenbaar was door vlag en opschrift, en dat de aanval opzettelijk
geweest moest zijn. Officiële onderzoeken van zowel de
Israëli's als de Amerikanen concludeerden dat de aanval een
tragische vergissing was geweest, maar beweringen en speculaties van
een opzettelijke aanval blijven hardnekkig de kop opsteken in boeken en
TV-documentaires. Voor de aanval worden daarbij wisselende verklaringen
geopperd, zoals dat Israël een vermeende standrechtelijke
executie
van Egyptische krijgsgevangenen in de Sinaï ermee probeerde te
verhullen, of de aanstaande aanval op de Golan.
Jordanië
Op 5 juni beschoot Jordanië West-Jeruzalem en bezette het
VN-hoofdkwartier daar. Ook beschoot men voorsteden van Tel Aviv en
bombardeerde andere Israëlische plaatsen. Na herhaalde
Israëlische waarschuwingen zich terug te trekken, en nadat
Jordanië een door de VN voorgesteld en door Israël
geaccepteerd staakt-het-vuren afwees, viel Israël aan. Het
vernietigde - net als bij Egypte - eerst de luchtmacht, zodat het
totale superioriteit in de lucht had. Daarna veroverde Israël
in
enkele dagen Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever. Op 7 juni
werd de Oude Stad met de Klaagmuur ingenomen, een voor veel
Israëli's emotioneel moment.
Israëlische soldaten bij de Klaagmuur
na de verovering van Jeruzalem.
De beslissing
Oost-Jeruzalem en
de Westelijke Jordaanoever te veroveren werd ad hoc genomen nadat de
suggestie eerder was afgewezen. Sommige Israëlische ministers
voorzagen dat deze gebieden, waarmee de Joden een millennia lange
verbondenheid hebben, Israël in politieke problemen zouden
kunnen
brengen, aangezien teruggave - ook in het geval de Arabische staten
zich verzoenend zouden opstellen - moeilijk zou liggen bij het
Israëlische publiek. Dit gold met name voor de Oude Stad van
Jeruzalem. Dit is mede een verklaring voor het feit dat men bleef
zoeken naar een staakt-het-vuren met Jordanië. Aan de andere
kant
verlangde Israël naar soevereiniteit over Jeruzalem, dat
immers
zo'n centrale plaats innam in zowel cultuur, religie als identiteit van
het Joodse volk. Jordanië had de Israëli's - in
tegenspraak
met het wapenstilstandsakkoord uit 1949 - stelselmatig de toegang tot
de Klaagmuur en de Oude Stad geweigerd. En uiteraard kon
Israël
niet toestaan dat haar steden werden gebombardeerd.
Jordanië kon geen staakt-het-vuren accepteren omdat het een
defensiepact met Egypte had gesloten, en in dat geval ook te zeer als
collaborateur van het 'Westerse imperialisme' zou worden neergezet, een
etiket dat het toch al had. Daarbij kwam de druk van de voor een groot
deel Palestijnse bevolking van Jordanië, die hun vroegere
thuisland bevrijd wilde zien. Bovendien geloofde Jordanië de
valse
berichten uit Egypte dat het Israël een nederlaag toebracht en
deelde men graag in de overwinning. De gevolgen waren rampzalig voor
Jordanië, dat de gehele Westoever kwijtraakte. Daarnaast waren
circa 200.000 Palestijnen van de Westoever naar Jordanië
gevlucht,
waarvan het merendeel niet mocht terugkeren.
Syrië
Syrië bestookte vanaf het begin van de oorlog onafgebroken
dorpen
in noord Israël met artillerie vanuit de Golan hoogvlakte. Een
eerste besluit van Israël om de Golan te veroveren werd door
defensie minister Dayan - tot frustratie van de legerleiding -
herroepen vanwege angst voor Sovjet-interventie. Pas nadat berichten
waren onderschept waaruit bleek dat het Egyptische leger grotendeels
was vernietigd en het Syrische leger niet tot serieus verzet in staat
was, besloot Israël op 9 juni toch aan te vallen, ondanks een
al
op handen zijnd staakt-het-vuren. Vanwege Syrische schendingen kon
Israël een definitief staakt-het-vuren afwenden tot de avond
van
10 juni, nadat Israël Quneitra en de hele Golan had veroverd.
Evaluatie
Soms wordt beweerd dat de Egyptische provocaties geen werkelijke
bedreiging voor Israël vormden, en Israël deze
doelbewust
heeft gebruikt om haar gebied te kunnen uitbreiden. Men wijst erop dat
Egypte eigenlijk geen oorlog wilde, en slechts uit was op het
versterken van zijn positie in de Arabische wereld en het redden van
zijn eer. De oorlogsretoriek was slechts voor Arabische consumptie
bestemd. Egyptes leger verkeerde in een slechte staat en kon geen
oorlog tegen Israël winnen, en dat zouden zowel Nasser als
Israël geweten hebben.
Dit is slechts gedeeltelijk waar. Hoewel Nasser aanvankelijk inderdaad
twijfelde aan de kracht van zijn leger (en Syrië meermaals
beschuldigde van onbezonnen provocaties jegens Israël),
groeide
zijn vertrouwen en werd hij zelfs overmoedig. Tweede man en
veldmaarschalk Amer kende deze twijfels in het geheel niet. Hij had in
de jaren '60 steeds meer macht naar zich toegetrokken, vooral in het
leger, en was overtuigd van Egyptes superioriteit over Israël.
Wat
Nasser het liefste wilde was een overwinning op Israël zonder
te
hoeven vechten. Hij wilde Israël zodanig vernederen en
verzwakken
dat hij - en niet Fatah of diens sponsor Syrië - werd gezien
als
de held die voor Palestina streed. Wat Egypte deed was dan ook meer dan
een paar onschuldige provocaties. Het sluiten van waterwegen is een
oorlogshandeling volgens internationaal recht. De stationering van
grote hoeveelheden troepen en materieel direct aan het front,
gecombineerd met de vele oorlogszuchtige verklaringen van Arabische
kant vormden een reële bedreiging. Israël kon zijn
troepen
niet lange tijd achter elkaar gemobiliseerd houden, en had dus in het
geval het van een aanval afzag een terugtrekking van Egyptes troepen
uit de Sinaï moeten afkopen met vergaande concessies zoals
opoffering van land, wat waarschijnlijk als aanmoediging tot meer
Arabisch geweld en dus Israëlische concessies zou zijn
opgevat.
Bovendien waren de vele aanvallen van Palestijnse guerrillagroepen
onaanvaardbaar, en hoopte Israël door de overwinning de
Arabieren
tot vrede te kunnen dwingen. Als ze eenmaal zouden inzien dat het
onmogelijk was Israël te verslaan, en het veroverde gebied
alleen
terug konden krijgen middels een vredesverdrag, zouden ze wel tot
inkeer komen.
Een veelgemaakte fout in het beoordelen van gebeurtenissen uit het
verleden is dat men de uitkomst als vanzelfsprekend, als de enig
mogelijke, beschouwt. De verpletterende nederlaag van de Arabische
legers was in feite niet zo vanzelfsprekend, en
Israël had
op meer dan één gebied geluk: het onderschepte
een eerder
Egyptisch aanvalsplan, Egypte schoot niet met afweergeschut vanwege de
eigen legerleider die in de lucht zat, en het miste een Jordaanse
waarschuwing dat Israëlische vliegtuigen onderweg waren.
Israël profiteerde van Arabische fouten zoals Egyptes
verklaringen
dat het aan de winnende hand was, en de aanvankelijke weigering van
Egypte en Jordanië een staakt-het-vuren te accepteren.
Israël
nam ook risico's: het gebruikte al zijn vliegtuigen in de
openingsaanval op de Egyptische luchtmacht. Wat was er gebeurd als
Jordanië en Syrië toen op grote schaal
Israëlische
steden hadden gebombardeerd? Wat was er gebeurd als beide landen toen
met vol materieel Israël waren binnengevallen, zodat het
gedwongen
was aan drie fronten tegelijk te vechten? Wat was er gebeurd als
Israël was verrast door een Arabische aanval op meerdere
fronten?
Ook wordt wel betoogd dat niemand de oorlog wilde, en hij ontstond door
een tragische samenloop van omstandigheden en misinterpretaties. Zo
bleven de excuses van Jordanië aan Israël voor een
dodelijke
aanval van Fatah vanuit haar grondgebied gedurende een weekend op het
bureau van de Amerikaanse ambassadeur in Tel Aviv liggen, en voerde
Israël ondertussen de desastreuze aanval op Samua uit. De
valse
beschuldiging van de Sovjet-Unie die leidde tot het wegsturen van UNEF
en het afsluiten van de waterwegen werd ondersteund door het feit dat
in de Onafhankelijkheidsparade in West-Jeruzalem op 15 mei geen zwaar
materieel werd gebruikt. Dit was om aan klachten van Jordanië
tegemoet te komen en een 'low profile' te houden, maar werd in Egypte
gezien als bewijs dat het zwaardere materieel naar het front was
gestuurd.
In deze benadering wordt de staat van vijandigheid tussen
Israël
en de Arabische staten vanaf 1948 ontkend of op zijn minst onderschat.
De wapenstilstandsovereenkomsten tussen Israël en
Syrië en
Israël en Egypte uit 1949 werden vrijwel direct geschonden. De
Arabische leiders en de straat riepen vanaf het begin om het ongedaan
maken van het 'onrecht dat de Palestijnen was aangedaan'. De Arabische
regimes waren zeer instabiel, vooral in Syrië volgde de ene
coup
na de andere, en koning Abdallah van Jordanië was vermoord in
1951
voor zijn te softe houding tegenover Israël. Israël
op zijn
beurt voerde vaker het soort wraakacties als in Samua uit, en Hussein
had zich niet eerder verontschuldigd voor Palestijnse aanvallen vanuit
de Westelijke Jordaanoever. De Zesdaagse Oorlog was niet zozeer het
gevolg van misverstanden en toevalligheden, maar van een diep gevoel
van onrecht en vernedering in de Arabische wereld, de luide roep om een
tweede ronde en de weigering zich bij enige vorm van Joodse
zelfbeschikking in het Midden-Oosten neer te leggen.
Gevolgen van de
oorlog
Verliezen
Aan Israëlische kant vielen in de oorlog 679 doden en 2.563
gewonden; aan Arabische kant werden 21.000 doden en 45.000 gewonden
gemeld.
15 Israëli's werden krijgsgevangen genomen, terwijl
Israël zelf bijna 6.000 krijgsgevangenen nam.
Israël vernietigde tussen 452 en 469 vliegtuigen en verloor er
zelf 36.
Van Egypte werden 320 tanks en 10.000 andere voertuigen veroverd en het
meeste andere materieel vernietigd. Jordanië verloor 179 tanks
en
Syrië 118 tanks. De Arabische landen verloren duizenden
voertuigen
en artillerie.
Na de oorlog werden Syrië en Egypte door de Sovjet-Unie snel
herbewapend. Vanwege de Zesdaagse Oorlog was Israël Frankrijk
als
bondgenoot en wapenleverancier definitief kwijtgeraakt. De VS werd de
belangrijkste bondgenoot, maar was aanvankelijk terughoudend met
wapenleveranties.
Uitputtingsoorlog
In oktober 1967 bracht de Egyptische marine nog een Israëlisch
marineschip tot zinken met 41 doden tot gevolg. In juni 1968 begon
Egypte met Sovjet-steun een uitputtingsoorlog met beschietingen over
het Suez Kanaal om Israël te verzwakken en demoraliseren. In 2
jaar tijd (tot de dood van Nasser) kostte deze oorlog 1.500 doden aan
Israëlische kant waaronder ruim 100 burgers. Israël
antwoordde met bombardementen steeds dieper in Egypte, en met invallen.
Aan Egyptische kant zou deze oorlog mogelijk 10.000 doden hebben
gekost. Toch kwam Egypte volgens de meeste analisten sterker uit de
oorlog dan zij erin ging, omdat men wat van de totale vernedering van
'67 had goedgemaakt en Israëls kwetsbaarheid aangetoond.
VN-resolutie
Resolutie
242 van de VN-Veiligheidsraad op
22 november riep op tot onderhandelingen om tot een permanente vrede
te komen en terugtrekking van Israël uit bezette
gebieden. Het benadrukte bovendien het recht van alle staten
in de
regio op veilige en erkende grenzen, een duidelijke verwijzing naar
Israël. Israël accepteerde de resolutie, maar de
Arabische
staten niet. Deze resolutie introduceerde het "land voor vrede"
principe als formule voor oplossing van het
Israëlisch-Arabische
conflict. Via de Zweedse VN-diplomaat Gunnar Jarring vonden er op basis
van deze resolutie jarenlang indirekte besprekingen plaats tussen
Israël, Egypte en Jordanië, die echter niets
opleverden.
Gearceerd: de in juni 1967
veroverde gebieden.
Israël
en de bezette gebieden
Israël bezette na de Zesdaagse Oorlog land dat meer dan 3 keer
zo
groot was dan het eigen grondoppervlak, en meer dan
één
miljoen Palestijnen kwamen onder haar bestuur. De regering van
nationale eenheid bood aan de Sinaï en de Golan terug te geven
aan
Egypte respectievelijk Syrië, in ruil voor erkenning van
Israël en vredesverdragen, wat deze afwezen. Israël
wilde het
herenigde Jeruzalem
houden als hoofdstad, en was verdeeld over wat te doen met de
Westelijke Jordaanoever. Die was enerzijds van groot
militair-strategisch belang voor Israël, en anderzijds, vooral
voor de maximalisten en religieuzen, een gebied dat eigenlijk bij
Israël hoorde, op historische en religieuze gronden. (Volgens
veel
Zionisten had dit gebied al conform het mandaat van de Volkerenbond aan
Groot-Brittannië bij het Joodse thuisland moeten komen.) Het Allon plan van
juli 1967
was een compromis dat voorzag in een deling van de Westoever, waarbij
de strategische en dunbevolkte gebieden bij Israël zouden
komen,
en de dichtbevolkte gebieden aan Jordanië werden teruggegeven.
Jordanië wilde hier echter niets van weten.
De overwinning in de Zesdaagse Oorlog had ongekende gevoelens van
nationalisme losgemaakt onder de Israëli's, en de religieus
georiënteerden zagen hierin de directe hand van God, die de
'kinderen Israëls' had teruggevoerd naar hun oorspronkelijke
land.
De resolute afwijzing van de Arabische landen om met Israël te
onderhandelen en vrede te sluiten, zoals verwoord op de Kartoem-conferentie
op 1 september 1967,
versterkte de nationalistische beweging in Israël, die ijverde
voor Joodse vestiging in de veroverde gebieden, om deze later te kunnen
annexeren. De regering stond hier afwijzend tegenover, en wilde
aanvankelijk alleen militaire installaties toestaan om strategische
redenen. Onder druk van de religieus-nationalistische beweging ging zij
echter overstag en stemde toe - soms nadat zij voor een voldongen feit
was gesteld - in de civiele nederzettingen. De eerste nederzettingen
werden gebouwd op plaatsen waar voor 1948 ook Joden hadden gewoond, die
hier met geweld waren verdreven, zoals in Gush Etzion en Hebron.
Ruimte voor vrede
Veel analisten zien in de totale Israëlische overwinning een
Pyrrusoverwinning: de overwinningsroes, de gevoelens van Messiaans
nationalisme, en vooral de bouw van honderden nederzettingen waarin dat
resulteerde zouden Israël uiteindelijk vooral hebben geschaad
en
nu het belangrijkste obstakel tot vrede vormen. Wat daarbij veelal
wordt vergeten is dat - hoewel de nederlaag voor de Arabieren
aanvankelijk te vernederend was om Israëls uitgestoken hand
aan te
nemen - de Israëlische overwinning ook tot het besef heeft
geleid
dat men Israël niet van de kaart kan vegen en met deze
realiteit
moet leren leven. Zonder de Zesdaagse Oorlog had Egypte geen vrede met
Israël gesloten, of op voor Israël zeer ongunstige
voorwaarden zoals acceptatie van de sluiting van de Straat van Tiran en
opoffering van (een deel van) de Negev woestijn. Egypte had in de jaren
'50 een niet-aanvalsverdrag met Israël voorgesteld in ruil
voor de
Negev. Israël had de sluiting van de waterwegen zeker niet
zonder
oorlog ongedaan gekregen, en Egypte meende al - vanwege de
Israëlische terughoudendheid na de sluiting en het naar huis
sturen van de VN vredesmacht - dat het deze overwinning binnen had.
Met Syrië is het in 1999 bijna tot een overeenkomst gekomen,
en
momenteel ligt er een Arabisch aanbod, zij het ambigu, om vrede te
sluiten met Israël nadat het zich uit alle bezette gebieden
heeft
teruggetrokken.
Nieuw
beeld en positie van Israël
De Zesdaagse Oorlog leidde bovendien tot een hernieuwd zelfbewustzijn
van de Joden. Joden overal ter wereld, ook zij die niet actief bij een
Zionistische beweging betrokken waren, deelden in de overwinning, zij
straalde af op alle Joden. Voor de Zesdaagse Oorlog dachten velen dat
Israël geen lang leven beschoren zou zijn, en er gingen
grapjes de
ronde als dat de laatste Jood die Israël verliet niet moest
vergeten het licht uit te doen. Het imago van de Joden veranderde van
louche handelslui, sluwe advocaten en professoren in dat van
vastberaden soldaten en werklui. Het imago van Israël
veranderde
van een haven voor vluchtelingen en Holocaust overlevenden in een trots
en sterk land. Wat op micro niveau gold, gold ook in het groot: hadden
verschillende VS diplomaten Israël voor de oorlog beschouwd
als
een 'unviable client state' en met minachting bekeken, nu bleek het een
potentieel strategische bondgenoot, die de Sovjet-satellietstaten met
gemak kon verslaan. De VS wilde bovendien hun invloed op
Israël
vergroten nu bleek waar het toe in staat was, en een hand hebben in de
teruggave van het nieuw veroverde land aan de Arabieren om zo ook haar
invloed in de Arabische landen te kunnen vergroten. Doordat
Israël
in het geheel geen materiële steun had gekregen van de VS, was
het
relatief onafhankelijk en kon de VS het moeilijker haar eisen opleggen.
Vanaf de Zesdaagse Oorlog begon de ontwikkeling van steeds nauwere
banden tussen beide landen, waarbij Israël steeds meer
militaire
steun kreeg van de VS en daardoor steeds afhankelijker werd.
De Palestijnen
De Zesdaagse Oorlog zorgde voor een opleving van het Palestijnse
nationalisme vanwege de militaire bezetting van de Westelijke
Jordaanoever en Gazastrook, en vanwege het feit dat men voorlopig niet
meer op de Arabische staten hoefde te rekenen voor hun bevrijding. Men
verzette zich vanaf het begin met geweld tegen de bezetting, en
Israël trad hier vanaf het begin hard tegen op. Toch hadden de
gevechten toentertijd nog niet het grimmige karakter van de intifada's,
en was de bezetting vergeleken met de huidige situatie mild, met totale
bewegingsvrijheid, open grenzen met Jordanië en veel
economische
contacten tussen de Palestijnen en Israël (werk en handel).
Zagen veel Palestijnen zich voor de Zesdaagse Oorlog als onderdeel van
Jordanië, en beschouwde Jordanië ze op haar beurt als
staatsburgers, na 1967 benadrukten zij sterker hun eigen identiteit.
Volgens sommige cynici is dit vooral omdat men tegen Israël
was:
waar Israël was, wilde men een staat. Voor 1967 maalden de
Palestijnen immers niet om een eigen staat op de Westelijke
Jordaanoever en de Gazastrook. Hoewel het ontegenzeggelijk waar is dat
de Palestijnse identiteit zich vooral in relatie tot (het afzetten
tegen) het Zionisme ontwikkelde, is dit kort door de bocht. Bovendien
eiste Jordanië zelf loyaliteit van de Palestijnen en
ontmoedigde
de ontwikkeling van hun eigen identiteit, en is het logisch dat een
militaire bezetting door een vijand meer aversie oproept dan geregeerd
worden door een qua religie en cultuur verwant buurland.
In 1969 fuseerden de PLO en Fatah onder leiderschap van Arafat, en
voerden vanuit Jordanië guerrilla-akties uit tegen
Israël.
Toen ze in 1970 probeerden het Jordaanse koningshuis omver te werpen,
werden ze echter met harde hand uit Jordanië verdreven en
zochten
hun toevlucht in Libanon, waar zij een belangrijke rol speelden in de
burgeroorlog.
Uiteindelijk heeft de Zesdaagse Oorlog ook bijgedragen aan de opkomst
van het islamisme, vooral omdat het seculiere Arabisch nationalisme,
vertegenwoordigd door Nasser, zo'n gevoelige nederlaag had geleden.
Verder lezen:
* Six-Day War op Wikipedia
* Six Day
War en Six
Day War Timeline
op Zionism and Israel Encyclopedia
* Six
Day War - Britse website met achtergronden
* April 2007:
Amir Oren van Haaretz citeert uit recentelijk vrijgegeven
verslagen van een Amerikaanse senaatscommissie ten tijde van
de
Zesdaagse Oorlog:
- What price friendship? (1967 US
senate committee documents before 6 Day War)
- Tentacles of the porcupine
(1967 US senate committee documents in 6 Day War)
* Six
Day War: The Victory and the Lie -
Joel Fishman (JCPA)
* Six
Day War: No Pyrrhic Victory -
comment in the Wall Street Journal
* Six Days of War
- book by Michael
Oren (read interview)
©
Dit artikel is copyright Israël-Palestina Informatie, afgezien
van onderdelen waarvoor andere bronnen worden vermeld. Voor
overname
gelieve kontakt met ons op te nemen via het e-mail adres. Beperkte
citaten voorzien van een link naar deze webpagina zijn toegestaan.