Israël,
de Palestijnen en
de Verenigde
Naties

(laatste update 8-12-2006)
Waarom lapt Israël de
VN aan haar laars?
Waarom zijn er meer VN-resoluties betreffende het
Midden-Oosten conflict dan over
Soedan, Kongo, Tibet of Tsjetsjenië?
Hoeveel anti-Israël resoluties heeft de VS geblokkeerd?
Op deze pagina zullen we dieper ingaan op Israëls
unieke positie in de VN,
waaronder ook het feit dat het pas recentelijk is toegetreden
tot een van de regionale blokken,
die toegang geven tot tal van instituties.
A.
De Verenigde Naties en de oprichting van Israël
B. Israël in de
Verenigde Naties
C. Meerderheid
tegen Israël
A. De Algemene Vergadering van de VN en de Veiligheidsraad
B. Resoluties betreffende Israël
C. Onevenredig
veel aandacht voor Israël en de Palestijnen
D. De VN Mensenrechten
Commissie en Raad
E. Het Internationale Gerechtshof (ICJ) en de 'muur'
A. UNWRA
B. DPR
en andere Palestijnse instituties in de VN:
- Divisie voor Palestijnse Rechten (DPR)
- CEIRPP
- SCIIHRP
Bronnen
________________________________________________________
1.
Geschiedenis
VN en Israël/Palestina
A.
De Verenigde Naties en de
oprichting van Israël
De
Verenigde Naties volgden na de Tweede Wereldoorlog de Volkenbond
(1919-1946) op, de supra-nationale organisatie die tijdens het
interbellum aan Groot-Brittannië het mandaat had gegeven over
het
gebied 'Palestina'
om daar een Joods thuisland te vestigen.
Groot-Brittannië was geleidelijk teruggekomen op deze
opdracht,
omdat ze tijdens de Eerste Wereldoorlog tegenstrijdige beloften had
gedaan aan de verschillende partijen, en omdat de Arabische weerstand
tegen het Joodse thuisland groter bleek dan verwacht.
Nadat in 1923 het grootste deel van het mandaatgebied (het huidige
Jordanië) werd afgesplitst, en met instemming van de
Volkenbond
werd uitgesloten van Joodse immigratie, bleven de spanningen tussen de
bevolkingsgroepen in het resterende deel groeien naarmate de Joodse
immigratie daar toenam. Tijdens de grote opstand van 1936-1939 kwam
Groot-Brittannië met nieuwe voorstellen om het overgebleven
gebied
op te splitsen totdat er nog maar een minimaal Joods gebied over zou
blijven, en toen deze werden afgewezen door de Arabieren besloot men
tot beperking en op termijn stopzetting van de Joodse immigratie. Het
'Joodse thuisland' kreeg hierdoor de meest minimale interpretatie,
terwijl de urgentie ervan door de vervolging in Duitsland groter was
dan ooit.
Na afloop van de Tweede Wereldoorlog wilde Groot-Brittannië de
Joodse overlevenden nog steeds niet in Palestina toelaten. Niet alleen
Arabieren maar ook radicale Zionisten waren in de jaren '40 begonnen
met aanslagen tegen de Britten in Palestina. Groot-Brittannië
zag
geen mogelijkheid meer om de partijen te verzoenen en gaf in 1947 haar
mandaat terug aan de Verenigde Naties.
Op 29 november 1947 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
met ruim tweederde meerderheid resolutie 181
aan, die het resterende mandaatgebied Palestina in 2 ongeveer gelijke
delen opdeelde, waarbij het Joodse deel iets groter was maar een groot
stuk woestijn bevatte, terwijl Jeruzalem met omgeving (inclusief
Bethlehem) een internationale status moest krijgen. De Joden hadden op
dat moment een kleine meerderheid in de hun toegewezen helft. Het plan
verdeelde het gebied feitelijk in 7 stukken (met 2 'kruispunten' tussen
Joods en Arabisch gebied), en had alleen kunnen werken bij nauwe en
harmonieuze samenwerking tussen de twee staten, iets wat op dat moment
al niet reëel meer was. De Arabische partijen wezen het
delingsplan wederom resoluut af.
Aan dit delingsplan wordt vaak gerefereerd voor de internationale
legitimiteit van de staat Israël.
Tegenstanders van Israëls bestaansrecht benadrukken wel dat
veel
derde-wereldlanden destijds nog niet onafhankelijk waren en dus geen
stem hadden in de VN, dat de Verenigde Staten landen onder druk had
gezet om voor de resolutie te stemmen, en dat in de oorlog die volgde
na afwijzing van het delingsplan, Israël een groter gebied
veroverd heeft dan het op grond van de resolutie was toegewezen. Ook
menen zij dat de VN niet het recht had om een deel van Palestina zonder
goedkeuring van de meerderheid van de bewoners toe te kennen aan een
minderheid van de bewoners.
De Israëli's accepteerden in meerderheid het delingsplan,
waarmee
de VN het principe van Joodse zelfbeschikking erkende, al vonden velen
het moeilijk te verkroppen dat voor hen nog maar de helft overbleef van
het deel van het mandaat dat hen na de afsplitsing van
Trans-Jordanië in 1922 was toegekend.
Met name revisionistische Zionisten argumenteren wel dat de Algemene
Vergadering geen bindende bevoegdheid heeft en/of dat het delingsplan
nietig was doordat één van de betrokken partijen
het
heeft afgewezen. Volgens deze redenering geldt daarom de facto nog
steeds het mandaat van de Volkenbond, en zou Israël nog steeds
een
legitieme claim hebben op de 'bezette Palestijnse gebieden', die zij
dan ook als 'betwiste gebieden' aanduiden.
Daags na de aanname van het delingsplan door de VN kwamen de
Palestijnse Arabieren in opstand en vielen door het hele land Joodse
gemeenschappen aan, wat uitmondde in een burgeroorlog, en direct na de
uitroeping van Israël op 15 mei 1948 vielen ook de Arabische
buurlanden de Joodse staat aan. De VN wilde na de afwijzing van het
plan verder bemiddelen en deed nieuwe voorstellen, bijvoorbeeld tijdens
het eerste staakt-het-vuren in de zomer van 1948. Men wilde met name
aan de Arabische bezwaren tegen deling tegemoet komen, en stelde voor
dat Joodse immigratie alleen mogelijk was met goedkeuring van
Trans-Jordanië, dat ook de aan de Arabieren toegewezen delen
van
Palestina onder haar hoede zou krijgen. Zowel de Arabieren als de
Zionisten wezen dit voorstel echter af, en de laatsten verklaarden dat
de uitkomst van de gevechten bepalend zouden worden voor de verdeling
van het land, daar de Arabieren geen enkele vorm van Joodse
zelfbeschikking accepteerden. De Israëli's rechtvaardigden de
verovering van extra gebieden tijdens de onafhankelijkheidsoorlog ermee
dat de losse gebieden van het delingsplan onverdedigbaar waren. Met
name de corridor naar het belegerde Jeruzalem was cruciaal om de
100.000 Joden daar te beschermen.
In december 1948 werd door de Algemene Vergadering resolutie
194 aangenomen, die een Concilation Commission
in het leven riep om tussen de partijen te bemiddelen, opriep tot
internationalisatie van Jeruzalem en omgeving, en bescherming van en
vrije toegang tot de heilige plaatsen.
De resolutie stelde tevens dat "de
vluchtelingen die wensten terug te keren naar hun huizen en met hun
buren in vrede te leven, daartoe op de vroegst haalbare datum
gelegenheid toe zouden moeten krijgen."*)
Resolutie 194 wordt tegenwoordig door de Arabieren aangehaald als
bewijs voor een 'onvervreemdbaar recht' op terugkeer van alle
vluchtelingen en hun nakomelingen (inmiddels tussen de vier en vijf
miljoen), hoewel het toen om een veel kleiner aantal vluchtelingen ging
die allen een direct slachtoffer van de oorlog waren. De resolutie
spreekt bovendien nergens
van een algemeen recht
en stelt als voorwaarde dat zij bereid moeten zijn in vrede met hun
buren te leven. Gezien het bloeiende radikalisme onder de vluchtelingen
en de betrokkenheid van velen bij 'het verzet' is dit allerminst
vanzelfsprekend.
Na het beëindigen van de gevechten nam Israël een wet
aan die
bepaalde dat de vluchtelingen niet mochten terugkeren, omdat
de Palestijnen de oorlog tegen de Joodse
gemeenschap in Palestina waren begonnen. Israël bood in het
kader van
vredesonderhandelingen wel aan om maximaal 100.000 vluchtelingen te
laten
terugkeren als gebaar van goede wil. De Arabische landen eisten echter
dat Israël alle vluchtelingen opnam en men maakte er vanaf het
begin geen geheim van dat dit mede tot doel had Israël van
binnenuit te vernietigen.
*) 11.
Resolves that the refugees wishing to return to their homes and live at
peace with their neighbours should be permitted to do so at the
earliest practicable date, and that compensation should be paid for the
property of those choosing not to return and for loss of or damage to
property which, under principles of international law or in equity,
should be made good by the Governments or authorities responsible;
Instructs the
Conciliation Commission
to facilitate the repatriation, resettlement and economic and social
rehabilitation of the refugees and the payment of compensation, and to
maintain close relations with the Director of the United Nations Relief
for Palestine Refugees and, through him, with the appropriate organs
and agencies of the United Nations;
B. Israël
in de Verenigde Naties
Israël werd na haar oprichting erkend door de meeste
niet-islamitische landen, en
in
1949 als lid toegelaten tot de
Verenigde Naties.
C. Meerderheid
tegen Israël
De Sovjet-Unie had het Zionistische streven gesteund van 1944 tot 1948
en Israël 3 dagen na haar oprichting erkend. Nadien keerde
Stalin
echter weer terug naar het officiële anti-Zionistische
Sovjet-standpunt. De Sovjet-Unie en haar satellietstaten werden
bondgenoten van de Arabische landen in hun verzet tegen
Israël,
evenals de meeste Afrikaanse en andere derde-wereldlanden die na de
Tweede Wereldoorlog onafhankelijk werden en toetraden tot de Verenigde
Naties. Aanvankelijk had Israël banden met verschillende
Afrikaanse landen en gaf hen actieve steun na de dekolonisatie. Mede
onder invloed van het Arabische en Sovjetblok werden die banden in de
jaren '60 verbroken. De Arabische staten en het communistische blok
kregen met steun van de meeste derde-wereldlanden (zogenaamde
niet-gelieerde landen) een automatische meerderheid voor resoluties in
de VN die Israëls politiek veroordeelden. In 1975 werd het
Zionisme middels een VN-resolutie als vorm van racisme gebrandmerkt.
Tegelijkertijd werd de PLO als vertegenwoordiger van de Palestijnen
toegelaten als waarnemer bij de VN, zonder dat daar enige voorwaarden
voor wat betreft erkenning van Israël of afzweren van geweld
tegenover stonden, en werden speciale VN-divisies en comités
in
het leven geroepen die de belangen van de Palestijnen moesten
behartigen, iets dat geen enkel ander volk of bevolkingsgroep ten deel
viel. Het Vaticaan is het enige andere 'land' dat een waarnemersstatus
bij de VN heeft.
2. Israël
buitengesloten binnen de VN
Israël daarentegen werd vanaf het begin uitgesloten van
lidmaatschap van de Aziatische regionale groep binnen de VN, en zonder
lidmaatschap van een regionale groep zijn posities in de meeste
VN-organen, die per regionale groep worden verdeeld, niet toegankelijk,
een discriminatie die geen enkel ander VN-lid ten deel valt. Sinds 2000
is Israël als tijdelijk lid toegelaten tot de groep van
West-Europese en andere landen (WEOG), echter met zware restricties
aangaande de deelname aan allerlei VN-organen en bijeenkomsten namens
die groep. Zo kan Israël bijvoorbeeld alleen aan vergaderingen
in
New York deelnemen en niet in Europa of Afrika, en mag het zich pas in
2019 kandidaat stellen voor de Veiligheidsraad.
A. De Algemene
Vergadering van de VN en de Veiligheidsraad
De Algemene Vergadering is de bijeenkomst van de vertegenwoordigers van
alle lidstaten van de VN (bijna alle erkende staten ter wereld). Bij de
oprichting in 1945 waren dit er 51, thans zijn het er 192. Zij
vergaderen elk jaar van september tot december, en verder in speciaal
bijeengeroepen zittingen of speciale noodzittingen. Elk land heeft er
één stem, en voor een aantal belangrijke
beslissingen is
een tweederde meerderheid vereist. De besluiten (resoluties) van de
Algemene Vergadering gelden als aanbevelingen en niet als
internationaal recht; daarvoor is een besluit van de Veiligheidsraad
(onder hoofdstuk VII van het VN-handvest) nodig. De Veiligheidsraad
telt 15 leden: 5 permanente leden (met vetorecht) en 10 roulerende
leden, die elke twee jaar door de Algemene Vergadering worden gekozen
per regio. Er is al enige jaren discussie over uitbreiding van het
aantal permanente leden van de Veiligheidsraad.
B.
Resoluties betreffende Israël
De Algemene Vergadering heeft sinds de oprichting honderden resoluties
tegen Israël aangenomen, waarvan de beruchtste
resolutie
3379 was, die Zionisme gelijkstelde aan racisme.
Deze resolutie werd ingetrokken in 1991 door middel van
resolutie
4686.
De VS had hiervoor gelobbyd nadat Israël intrekking als
voorwaarde
had gesteld voor deelname aan de vredesconferentie van Madrid.
Ook de Veiligheidsraad veroordeelde tientallen keren Israëls
daden, en heeft in totaal meer dan honderd resoluties over
Israël
en het conflict aangenomen. Ruim eenderde van de resoluties over
Israël zijn door de VS gevetood (zie ook
JVL
lijst).
De resoluties werden doorgaans aangenomen onder hoofdstuk VI van het
VN-verdrag, voor het bemiddelen in conflicten door de Veiligheidsraad,
niet onder hoofdstuk VII, dat sancties en eventueel militair ingrijpen
door de VN inhoudt. Resoluties onder hoofdstuk VII worden over het
algemeen beschouwd als internationaal recht.
Alle Veiligheidsraad resoluties zijn hier te vinden:
http://www.un.org/Docs/sc/
De belangrijkste resolutie van de Veiligheidsraad betreffende
Israël was
resolutie
242, waarin het na de Zesdaagse Oorlog van 1967 werd
opgeroepen om haar troepen terug te trekken uit
'gebieden die in het recente
conflict werden bezet', waarbij tevens alle landen in de
regio werden opgeroepen elkaars soevereiniteit en grenzen te
respecteren:
"Termination of all
claims or states
of belligerency and respect for and acknowledgement of the sovereignty,
territorial integrity and political independence of every State in the
area and their right to live in peace within secure and recognized
boundaries free from threats or acts of force..."
Israël wordt binnen de VN veelvuldig bekritiseerd voor het
niet
uitvoeren van deze motie, maar de Arabische landen wezen
onderhandelingen met en erkenning van Israël resoluut af,
onder
andere op de conferentie van 8 Arabische staten in
september 1967
in Khartoem.
Resolutie 242 riep Israël niet op om alle veroverde gebieden
te
ontruimen; definitieve grenzen moesten immers (en moeten nog steeds) in
vredesonderhandelingen worden vastgesteld. Deze resolutie introduceerde
het principe van land voor vrede als oplossing voor het conflict, maar
sprak (nog) niet van een Palestijnse staat. Wat betreft de
vluchtelingen spreekt zij slechts van
'een rechtvaardige oplossing van
het vluchtelingenprobleem'.
Volgens sommigen is het woord 'Palestijns' bewust weggelaten zodat ook
de Joodse vluchtelingen uit de Arabische staten hieronder vallen.
Na de Yom Kippoer oorlog van 1973 werd
resolutie
338 aangenomen, die een staakt-het-vuren eiste van
alle partijen, en
besloot
tot het starten van vredesonderhandelingen. Het woord "besluit" gaf een
dwingend karakter aan de resolutie i.t.t. "oproep" zoals in resolutie
242. De daaropvolgende vredesonderhandelingen liepen op niets uit, maar
naar de resolutie wordt nog steeds gerefereerd voor het opnieuw starten
van vredesonderhandelingen.
In 1980 nam de Knesset een wet aan die Oost-Jeruzalem en de Oude Stad
annexeerde, en Jeruzalem tot de eeuwige en ondeelbare hoofdstad van
Israël verklaarde. Dit werd door de Veiligheidsraad
veroordeeld in
resolutie
478,
waarin alle lidstaten werden opgeroepen om als strafmaatregel hun
ambassades uit (West-)Jeruzalem te verplaatsen naar Tel Aviv. Vrijwel
alle landen gaven hier gehoor aan. De VN veroordelen alle maatregelen
die Israël in Oost-Jeruzalem treft die de status van de stad
of
haar inwoners beïnvloeden. Die status is echter onduidelijk:
de VN
schijnen formeel nog steeds op het standpunt te staan dat Jeruzalem
(Oost- en West-, inclusief Bethlehem?) geïnternationaliseerd
dient
te worden, maar de opdeling van de stad tussen Israël en
Jordanië (met annexaties) is nooit veroordeeld, evenmin als
het
feit dat de Joden de toegang tot de Klaagmuur en andere heilige
plaatsen werd ontzegd door Jordanië, en Jordanië
bijna alle
synagogen verwoestte. Israël wordt nu als bezetter beschouwd
van
alle gebieden die voorheen door Jordanië werden bestuurd. Over
Israëls recht op West-Jeruzalem spreekt men zich niet uit.
C. Onevenredig
veel aandacht voor Israël en de Palestijnen
De tijd en aandacht die de VN aan (het veroordelen van) Israël
besteed is buiten alle proporties, zeker wanneer vergeleken met andere
conflicten in de wereld. Zo waren 5 van de 10 spoedzittingen van de
Algemene Vergadering aan Israëls optreden gewijd, terwijl
humanitaire crisissen zoals in Rwanda en Darfur geen aanleiding gaven
tot een spoedzitting.
Naast de
talloze
veroordelingen van Israël
door de Algemene Vergadering van de VN, gaan ook 30% van de resoluties
van de VN Mensenrechtencommissie over het veroordelen van
Israëls
daden. In de VN-Veiligheidsraad heeft het vetorecht van de Verenigde
Staten herhaaldelijk veroordelingen van Israël
voorkomen.
D. De VN
Mensenrechten Commissie en Raad
De Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties is veelvuldig
bekritiseerd vanwege het feit dat een meerderheid van
niet-democratische landen, waaronder dictaturen zoals Cuba, Soedan,
Libië en Syrië, bepaalt wie de mensenrechten schendt
en
daarvoor veroordeeld dient te worden. Dit leidde tot de absurde
situatie dat Libië de commissie voorzat en landen als Soedan
lid
waren van de commissie, en deze landen vrij van veroordelingen bleven
omdat zij konden rekenen op de automatische steun van de islamitische
landen en de meeste derde-wereldlanden. Zoals gezegd, zijn er een
record aantal resoluties die Israël veroordelen terwijl zij
het
Palestijnse terrorisme onvermeld laten. De Arabische staten hebben
stelselmatig bezwaar gemaakt tegen het veroordelen van Palestijns
geweld en het benoemen hiervan als 'terrorisme', en dergelijke taal uit
iedere resolutie weten te houden. Ook hebben zij veelvuldig bezwaar
gemaakt tegen het benoemen van antisemitisme als een vorm van racisme,
en Israël vergeleken met een kankergezwel en met
Nazi-Duitsland.
(Zie enkele citaten uit de commissie
hieronder.)
Verschillende voorstellen zijn gedaan om de 53 leden tellende commissie
te hervormen en haar geloofwaardigheid te vergroten, en in juni 2006 is
een hervormde Mensenrechtenraad in werking getreden die de oude
commissie vervangt. De resolutie die de nieuwe Mensenrechtenraad
goedkeurde bepaalt dat ieder lid de mensenrechten moet respecteren en
dat dit geregeld zal worden nagegaan ("will be subject to periodic
review"). In tegenstelling tot de oude commissie, moet ieder lid door
een absolutie meerderheid in de Algemene Vergadering van de VN
(minimaal 96 stemmen) worden goedgekeurd, en kan dus niet slechts door
een regionale groep worden gekozen. Met name de VS ging dit echter niet
ver genoeg, en wilde dat een tweederde meerderheid nodig zou zijn, om
te voorkomen dat de islamitische en derde-wereldlanden alsnog landen
naar believen aan een meerderheid kunnen helpen en zo een belsissende
invloed uitoefenen in de raad. Ook wilde onder andere de VS dat de
commissie uit minder landen zou bestaan. Zij is nu gereduceerd van 53
naar 47 landen.
Ondanks de mooie woorden van voornoemde resolutie hebben momenteel
verschillende landen zitting in de raad die de mensenrechten veelvuldig
schenden zoals China, Rusland, Cuba, Saoedi-Arabië en
Pakistan.
Evenals de oude Mensenrechtencommissie wordt ook de nieuwe
Mensenrechtenraad gedomineerd door ondemocratische landen, en net als
in de oude commissie proberen deze landen te voorkomen dat zij worden
veroordeeld, door coalities te sluiten en allianties aan te gaan, en
koehandel te bedrijven. Zo stemmen veel landen, waaronder China en
Rusland, met het machtige islamitische blok mee, in ruil voor stilte
over hun eigen mensenrechtenschendingen.
De nieuwe VN Mensenrechtenraad, die in juni 2006 in werking trad, heeft
tot nu toe drie speciale noodzittingen gehouden, alledrie over
Israël, en alledrie leidend tot een resolutie die
Israël
veroordeelde. Een minimum van eenderde van de 47 landen kan tot een
speciale noodzitting oproepen. Aangezien het blok van islamitische
landen met 17 landen in de Mensenrechtenraad is vertegenwoordigd, kan
zij de raad naar believen bijeen roepen.
Ook is een resolutie aangenomen die bepaalt dat tijdens iedere zitting
van de raad aandacht wordt besteed aan mensenrechtenschendingen door
Israël. Dit geldt voor geen enkel ander land.
Het ziet er dus naar uit dat de partijdigheid naar Israël toe
niet
is verbeterd in de nieuwe raad, en dat notoire mensenrechtenschenders
nog steeds de dans weten te ontspringen.
E. Het
Internationale Gerechtshof (ICJ) en de 'muur'
In december 2003 vroeg de Algemene Vergadering aan het Internationale
Gerechtshof in Den Haag een advies betreffende de legaliteit van de
afscheidingsbarrière die Israël vanaf 2002 aan het
bouwen
was rond de Westelijke Jordaanoever om aanslagen tegen te gaan, en
waarvan de route voor een aanzienlijk deel over bezet gebied liep. Een
aantal Europese landen en de VS waren ertegen om deze kwestie aan het
ICJ voor te leggen, omdat het een politieke (en dus geen strikt
juridische) zaak betrof. Ook Israël was deze mening toegedaan,
en
diende wel een schriftelijke verdediging van haar beleid in, maar
weigerde principieel zich in Den Haag mondeling te komen verdedigen.
Het
ICJ
oordeelde
met 14 tegen 1 stemmen dat de 'muur' (zoals het de
afscheidingsbarrière consequent noemde) in het bezette
Palestijnse gebied, inclusief in en rond Oost-Jeruzalem, in strijd was
met het internationale recht en diende te worden afgebroken, en riep
zelfs de VN en lidstaten op hiertegen verdere aktie te ondernemen. Het
ICJ oordeel liet zich er niet over uit of een 'muur' op de Groene Lijn
(wapenstilstandsgrens van voor 1967) wel met het internationaal recht
zou overeenstemmen, en dus geoorloofd zou zijn. Overigens zou een
barrière op de Groene Lijn de oude stad van Jeruzalem met de
Joodse wijk en de Klaagmuur aan de 'Palestijnse' kant brengen.
Israël was verbolgen over dit besluit, waarin volgens haar
helemaal geen aandacht was voor de oorzaken van de muur, namelijk het
Palestijnse terrorisme, dat inmiddels honderden Israëlische
burgers had gedood. Hoewel het ICJ erkende dat Israël zich mag
verdedigen tegen geweld afkomstig van andere staten (artikel 51 van het
VN Handvest
**), was men
vaag
over dit recht waar het geweld uit Palestijns gebied betreft.
De Geneefse Conventie (waar het ICJ zich onder andere op baseerde)
benoemt wel duidelijk de verplichtingen van de bezetter tegenover de
bevolking in bezet gebied, maar bevat geen regels voor hoe de bezetter
zich tegen geweld afkomstig uit bezet gebied mag verdedigen.
De rechters waren er voorts niet van overtuigd geraakt dat de bouw van
de barrière volgens de geplande route onvermijdelijk was (
"state of necessity")
voor Israël om haar burgers tegen het Palestijnse geweld te
beschermen.
Sympathisanten van Israël wezen ook op de eenzijdige
beschrijving
van de geschiedenis van het conflict door het ICJ, waarin men bijv. wel
duidelijk spreekt over het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen,
maar niet dat van de Joden; bij de bespreking van het Mandaat bleef
onvermeld dat de Volkenbond dit aan de Britten toekende op voorwaarde
dat hier een Joods Nationaal Thuis gesticht zou worden; en bij de
Israëlische bezetting werd genegeerd dat de Westoever voorheen
ook
door Jordanië was bezet en zelfs geannexeerd. Ook enkele ICJ
rechters - zoals Kooijmans - maakten bezwaar tegen deze eenzijdigheid.
Ten tijde van het ICJ oordeel scheidde de geplande route van de
barrière 16% van de Westoever af van het overige Palestijnse
gebied. Sindsdien heeft het Israëlische Hooggerechtshof
verschillende aanpassingen van de route opgelegd, waardoor die
momenteel nog 7% van het Palestijnse gebied afscheidt (inclusief
Oost-Jeruzalem). De bouw van de barrière heeft aanzienlijke
vertragingen opgelopen door deze aanpassingen en de vele klachten die
tegen de route zijn ingediend bij het Hooggerechtshof. Anno 2006 is
ongeveer de helft gebouwd.
(Zie ook het artikel
"Apartheidsmuur of
Veiligheidshek".)
**) 139. Under the terms of Article 51
of the Charter of the United Nations:
"Nothing in the present Charter shall impair the inherent right of
individual or collective self defence if an armed attack occurs against
a Member of the United Nations, until the Security Council has taken
measures necessary to maintain international peace and security."
Article 51 of the Charter thus recognizes the existence of an inherent
right of self defence in the case of armed attack by one State against
another State. However, Israel does not claim that the
attacks
against it are imputable to a foreign State.
The Court also notes that Israel exercises control in the Occupied
Palestinian Territory and that, as Israel itself states, the threat
which it regards as justifying the construction of the wall originates
within, and not outside, that territory. The situation is
thus
different from that contemplated by Security Council resolutions 1368
(2001) and 1373 (2001), and therefore Israel could not in any event
invoke those resolutions in support of its claim to be exercising a
right of self defence.
Consequently, the Court concludes that Article 51 of the Charter has no
relevance in this case.
3.
Uitzonderlijke instituties en regelingen
met betrekking tot Israël en de
Palestijnen
A.
UNWRA
De UNRWA (United Nations Relief and Works Agency) is opgezet in 1949,
onder VN-resolutie 302, als tijdelijk onderdeel van de Verenigde Naties
met de doelstelling om humanitaire hulp te verlenen aan Palestijnse
vluchtelingen. Haar mandaat is sindsdien iedere 3 jaar verlengd.
Palestijnse vluchtelingen werden doelbewust uitgesloten van de diensten
en hulp van de kort nadien onder resolutie 319 opgerichte UNHCR (United
Nations High Commission for Refugees), aangezien de UNRWA al zorg voor
hen draagt. Behalve dit verschil, is een belangrijk verschil tussen
beide organisaties dat de UNRWA een beperkter mandaat heeft: het kan
slechts humanitaire hulp bieden, terwijl de UNHCR ook de taak heeft een
permanente oplossing voor het vluchtelingenprobleem te helpen vinden.
UNRWA zelf beschrijft het verschil als volgt:
"Eén
reden voor het onderscheid is dat over het algemeen de UNHCR het
mandaat heeft om vluchtelingen 3 opties aan te bieden, namelijk lokale
integratie of hervestiging in derde landen of terugkeer naar hun
thuisland - opties die vrijwillig moeten worden geaccepteerd door
vluchtelingen onder de hoede van de UNHCR. Deze opties zijn niet
geschikt voor Palestijnse vluchtelingen aangezien de eerste twee opties
onacceptabel zijn voor de vluchtelingen en hun gastlanden en de derde
optie wordt afgewezen door Israël. Gezien deze context eist de
internationale gemeenschap, middels de Algemene Vergadering van de
Verenigde Naties, van de UNRWA om door te gaan met het verlenen van
humanitaire hulp in afwachting van een politieke oplossing."
(Bron:
http://www.un.org/unrwa/allegations/index.html
)
Volgens Israël is de UNRWA niet neutraal en kiest zij partij
voor
de Palestijnen. Aangezien UNRWA werkt voor de Palestijnse slachtoffers
van het conflict, en de overgrote meerderheid van haar medewerkers
Palestijnen zijn, is dit niet zo vreemd. Peter Hansen, de voormalig
hoogste commissaris, heeft in een interview openlijk toegegeven
Hamas-leden in dienst te hebben. Gezien de populariteit van de Hamas in
de vluchtelingenkampen, met name in de Gazastrook, is dit niet
verbazingwekkend. Zijn verklaring dat dit de VN standaards voor
neutraliteit niet schaadt klinkt dan ook niet erg overtuigend.
Israël heeft een ambivalente houding naar UNRWA: enerzijds
geeft
het ook geld aan de UNRWA en ondersteunt haar werkzaamheden, omdat het
inziet dat de vluchtelingen deze hulp bitter nodig hebben. Anderzijds
wantrouwt het UNRWA en heeft het UNRWA meermaals beschuldigd van steun
aan terroristische activiteiten, bijvoorbeeld door het gebruik van VN
voertuigen voor de smokkel van wapens. Deze beschuldigingen bleken niet
altijd terecht.
Ook beschuldigt men UNRWA ervan het vluchtelingenprobleem in stand te
houden in plaats van op te lossen, daar niet mee wordt gewerkt aan
herhuisvesting van vluchtelingen binnen de gebieden/landen waar zij nu
leven. Volgens pro-Israëli's is het vreemd dat de missie van
de
UNRWA verschilt van die van de UNHCR, die wel gericht is op het vinden
van een permanente oplossing, en is het sowieso vreemd dat er alleen
voor de Palestijnse vluchtelingen een speciale organisatie is
opgericht. Men verdenkt de UNRWA ervan het verlangen naar en de
mogelijkheid tot terugkeer naar Israël bewust in stand te
houden.
Volgens UNRWA valt herhuisvesting van de vluchtelingen buiten haar
mandaat, en kan dit pas plaatsvinden binnen een politieke oplossing van
het conflict, met instemming van beide partijen.
Een ander kritiekpunt van Israël is de ruime definitie van wie
voor de vluchtelingenstatus in aanmerking kan komen. Zo komen ook
partners, kinderen en kleinkinderen van de oorspronkelijke
vluchtelingen (zij die in 1948 of 1967 zijn verdreven of gevlucht voor
het oorlogsgeweld) in aanmerking voor de vluchtelingenstatus, en is
deze niet afhankelijk van de huidige leefomstandigheden, waardoor ook
mensen die wel fatsoenlijk gehuisvest zijn en/of staatsburgerschap
hebben in een ander land, als vluchteling staan geregistreerd. Er zijn
momenteel meer dan 4 miljoen Palestijnse vluchtelingen, waarvan ruim
een miljoen in vluchtelingenkampen leeft en aangewezen is op de
hulpdiensten van UNRWA. De UNHCR heeft striktere voorwaarden wat
betreft wie een vluchteling is. De Palestijnse vluchtelingen zijn de
'oudste' en snelst groeiende vluchtelingengroep (door het hoge
geboortecijfer). Israël beschuldigt de Arabische staten en de
UNRWA ervan het vluchtelingenprobleem bewust in stand te houden en als
politiek wapen tegen Israël te gebruiken. De Arabische staten
menen dat Israël het probleem heeft veroorzaakt en dus ook
voor de
oplossing verantwoordelijk is, en het niet redelijk is van hen te
verwachten deze mensen op te vangen. Israël meent bovendien
dat
het een evenredig aantal Joodse vluchtelingen uit de Arabische staten
heeft opgenomen, waarvoor de Arabische landen iedere
verantwoordelijkheid ontkennen en compensatie weigeren, en er dus
sprake is van een uitruil van bevolkingsgroepen zoals dit ook gebeurde
tussen bijvoorbeeld India en Pakistan.
B.
DPR en andere Palestijnse instituties in de VN
De VN kent verschillende organen en instituties die speciaal tot doel
hebben de belangen van de Palestijnen te behartigen. Zij bepleiten
echter niet zozeer een Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever
en de Gazastrook, maar in geheel 'Palestina'. Van een
twee-statenoplossing, het recht van zowel Joden als Palestijnen op
zelfbeschikking, of het veroordelen van het geweld aan beide kanten, is
bij hen geen woord te vinden. Deze organisaties, gericht op het
elimineren van een VN lidstaat, slokken een aanzienlijk deel van het
jaarlijkse VN budget op en gaan daarmee onherroepelijk ten koste van
aandacht en middelen voor andere conflicthaarden, die in aantallen
doden en andere ellende de Palestijnse zaak ver overtreffen. We zullen
hier enkele van deze organisaties en hun activiteiten bespreken.
Divisie voor
Palestijnse
Rechten (DPR)
Dit is één van de zeven divisies die onder het
Departement van Politieke Zaken van de Verenigde Naties vallen. De
andere zes divisies houden zich bezig met één of
meer
continenten, terwijl de DPR zich specifiek met de Palestijnen
bezighoudt.
De DPR is een koepelorganisatie waaronder verschillende pro-Palestijnse
instituten opereren. Zij is opgericht in 1977 en heeft een jaarlijks
budget van bijna 6 miljoen dollar. Ze beheert met steun van het VN
departement voor publieksvoorlichting (DPI) de website UNISPAL (VN
Informatiesysteem over de Kwestie Palestina), die naast veel feitelijke
informatie (zoals VN-documenten, rapporten en resoluties) propaganda
bevat voor de Palestijnen en tegen Israël. Daarnaast
organiseert
ze de jaarlijkse "Internationale Dag van Solidariteit met het
Palestijnse Volk" op 29 november, waarop het op die dag in 1947
aangenomen delingsplan van Palestina door de VN wordt betreurd.
De DPI heeft daarnaast sinds 1983 eveneens de opdracht op informatie te
verzamelen over de Palestijnse situatie en de rol van de VN daarin, en
deze langs verschillende wegen te verspreiden, met een budget van ruim
600.000 dollar.
CEIRPP
De DPR ondersteunt en financiert het in 1975 opgerichte
"Comité
voor het Uitoefenen van de Onvervreemdbare Rechten van het Palestijnse
Volk" (CEIRPP), waarin 20 VN-leden zitting hebben, en dat formeel onder
de Algemene Vergadering van de VN valt. De CEIRPP probeert via
publicaties, rapporten en conferenties diplomaten, VN-functionarissen
en NGO's te beïnvloeden om de kant van de Palestijnen en tegen
Israël te kiezen.
De CEIRPP claimt een netwerk van meer dan 1.000 NGO's
(non-gouvernementele organisaties) op allerlei gebied te hebben die de
Palestijnse zaak steunen. Ze biedt NGO's die opkomen voor de rechten
van de Palestijnen tal van voordelen zoals financiële
bijstand,
publicaties, en promotie via internet. Door deze steun verkrijgen zij
legitimiteit en bekendheid, en dit is een drijfveer voor NGO's op
bijvoorbeeld het gebied van vrouwenrechten, arbeidsrechten etc. om aan
hun activiteiten een pro-Palestijnse agenda te koppelen. Hun invloed
bleek onder meer uit de
NGO
conferentie tegen racisme van 2001 in Durban, die ontaardde
in een
beschamende
anti-Israël en antisemitische manifestatie.
Via deze en andere NGO conferenties zijn resoluties aangenomen om
Zionisme als racisme te bestempelen, de boycot van de Hamasregering te
beëindigen, Israël te boycotten en isoleren, en de
'bezetting
sinds 1948' (de oprichting van Israël) te beëindigen.
SCIIHRP
Daarnaast bestaat sinds 1968 ook het "Speciale Comité tot
Onderzoek van Israëlische Praktijken Betreffende de
Mensenrechten
van het Palestijnse Volk en Andere Arabieren van de Bezette Gebieden"
(SCIIHRP), waarin 3 VN-leden zitten, en die vergelijkbare rapporten als
de CEIRPP produceert.
©
Dit artikel is copyright Israël-Palestina Informatie, afgezien
van onderdelen waarvoor andere bronnen worden vermeld. Voor
overname
gelieve kontakt met ons op te nemen via het e-mail adres. Beperkte
citaten voorzien van een link naar deze webpagina zijn toegestaan.
* Petitie voor een
gelijke behandeling van Israël in de Verenigde Naties *
-----------------------------------------------------------------------
Noot
De volgende citaten, afkomstig van de 59e zitting van de
Mensenrechtencommissie in 2003, vormen een illustratie van de taal die
aangaande Israël wordt gebezigd in de commissie.
Bron: http://www.ajc.org/atf/cf/%7B42D75369-D582-4380-8395-D25925B85EAF%7D/One_Sided_2002_2003.pdf
Under agenda item 5,
"Self-Determination," several Arab states took the floor to denounce
Israel. Aside from the usual epithets, the Syrian ambassador called
Israel "a cancer."
The Palestinian
representative, Nabil Ramlawi, called the Israeli Amb. Levy "a liar."
What was the "lie?"
That the Palestinians
had ended the
Camp David II and Taba negotiations. Levy appealed to the Libyan
chairperson - twice - to reprimand the Syrian and Palestinian
representatives, but she remained silent.
The Algerian ambassador
continued his
habit of belittling the victims of the Holocaust by evoking Nazi
references to describe Israeli actions and by comparing the situation
of the Palestinians today to that of European Jewry during the
Holocaust. He said, "The Israeli war machine has been trying for five
decades to arrive at a final solution." He referred to the
"Kristallnacht that has been daily inflicted on the Palestinian people."
Amb. Levy again asked
the Libyan
chairperson to remind the Algerian ambassador that such language was
deeply offensive to Jews and should not be used. She remained silent.
The Algerian responded that "the past belongs to all of humanity and
everyone has the right to an opinion on the facts." In other words,
Jewish and Arab views on the Holocaust have equal weight.
On March 27, the CHR
heard the
Palestinian representative ask why "the world has not yet eliminated
the new Zionist-Nazism." Amb. Levy replied that "Warning bells should
have rang in this Hall after the Palestinian observer concluded his
statement with the following: 'The world has not yet eliminated new
Zionism'." No one said anything.
Amb. Levy made a written
appeal to
the chair: "You assured me in our meeting of 17 February 2003, as well
as in public statements in the opening of the Commission and last
Friday that you would not tolerate such wild, aggressive language in
this hall. You have remained silent when an observer of the Commission
on Human Rights, under you Chairmanship, called for the elimination of
a national movement of a member-state of the United Nations, Israel."
The next day, the scene
repeated
itself. Ramlawi said, "The activities of Zionist Israel, for decades,
go [sic] beyond the acts of Nazism in the terror they inflict. And this
is why I have made an appeal to the whole world to cooperate in putting
an end to Zionism and neo-Nazism just as Nazism was finished off in the
past."
Under item 8, there were
three resolutions passed against Israel.
"Question of the
violation of human
rights in the occupied Arab territories, including Palestine" includes
a laundry list of accusations against Israel alone, including "mass
killings."
This is the resolution
that contains
the reference to General Assembly resolution 37/43 of 3 December 1982,
reaffirming "the legitimacy of the struggle of peoples for
independence, territorial integrity, national unity and liberation from
colonial and foreign domination and foreign occupation by all available
means, including armed struggle." Such language condones the murder of
Israeli civilians by Palestinian terrorists.
The US, Australia,
Canada and the EU
tried to get a condemnation of anti-Semitism included in the resolution
on racism and Durban follow-up. In informal negotiations, the African
group (the sponsors of the resolution) accepted the paragraph on
condition of EU acceptance of other points. When the draft came to the
plenary, there was still not agreement on the text as a whole, yet it
included the following paragraph 49: "Recognizes with deep concern the
increase in anti-Semitism and Islamophobia in various parts of the
world, as well as the emergence of racial and violent movements based
on racism and discriminatory ideas directed against Jewish, Muslim and
Arab communities."
When South Africa
introduced the
resolution, it requested that paragraph 49 be deleted, since "some of
the cosponsors were unhappy with it" and because there had not been
agreement with the EU on the remaining issues.
Bronnen:
Israel
and the United Nations (Wikipedia)
List
of UN Resolutions Concerning Israel and Palestine (Wikipedia)
United
Nations (Wikipedia)
Western
European and Others Group -WEOG (Wikipedia)
International
Law and the Arab-Israeli Conflict (Wikipedia)
The
United Nations and Israel (Jewish Vitual Library)
Israel
Bashing at the United Nations (Jewish Virtual Library)
Israel
in the WEOG (Jewish Virtual Library)
List
of articles on the UN at Jewish Virtual Library
The
UN and the Question of Palestine (ZIIC)
The
UN versus Israel - AJIRI report (ZIIC)
Anti-Zionism:
Where does the stench come from? (ZIIC)
UN: Where Israel still = racism (Hillel
Neuer in the Jerusalem Post)
One
Small Step - Anne Bayefsky speech on anti-Semitism at the UN (Opinion
Journal)
Palestinian Refugee Status and UNRWA
(Gadi Taub)
Websites over
Israël-Palestina en het Midden-Oosten Conflict:
* A Brief
History of Israel and Palestine and the Conflict,
The Early
History of Zionism and the Creation of Israel, and many other
articles on
MidEastWeb for
Coexistence
- Middle East news & background, history, maps and opinions
* Wikipedia categories Israel
and Zionism, Palestine
and Middle
East
*
Council for
Peace and Security (Israel) * One Voice Movement
* Ariga's PeaceWatch - on the
Israeli-Palestinian conflict and Middle East peace
*
Middle East Analysis * Israel News * Israel: Like This, As If (blog)
*
Zionism
and Israel Information Center
* ZioNation -
Progressive Zionism and Israel Web Log
* IMO -
Israël & Midden-Oosten Blog (Nederlandstalig)
* Virtuele Encyclopedie van het
Conflict Israël-Palestina (
Nederlandstalig)
*
Israël Informatie Linkpagina (
Nederlands / Engels)
*
Israël & Palestijnen Nieuwsblog (
Nederlands / Engels)