apr 072018
 


(© foto IPI 2011)

Ratna Pelle

De staat Israël ligt in de berichtgeving door de media vaak onder een vergrootglas, waarbij vooral de negatieve zaken veel aandacht krijgen. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. De Werkgroep Accuratesse en Authenticiteit in Reportages (WAAR) volgt het nieuws over Israël kritisch en corrigeert dat waar nodig. In WAAR zitten burgers met een Joodse, christelijke en niet religieuze achtergrond en van allerlei politieke richtingen. Ook de website Israël-Palestina Info (IPI) probeert het vaak eenzijdige beeld over Israël in de media bij te stellen en aan te vullen. Ratna Pelle is actief bij beide groepen.

Vanuit WAAR en IPI zijn specifieke onderzoeken gedaan naar de berichtgeving van het NOS Journaal en NRC Handelsblad over Israël. Voor het NRC onderzoek is de berichtgeving tijdens verschillende periodes gevolgd en werden alle artikelen in kaart gebracht en op een aantal criteria beoordeeld. Er kwam een ontluisterend beeld uit naar voren: Palestijnen en mensen en organisaties die sympathiek tegenover hun zaak staan, kwamen veel vaker aan het woord en werden ook met meer instemming geciteerd dan mensen en organisaties uit pro-Israëlische hoek. Feit en visie werden regelmatig door elkaar gehaald, waarbij achtergrondartikelen lazen als opiniestukken.

Op een paar belangrijke onderwerpen was de mening van de krant voortdurend hinderlijk aanwezig, zoals het standpunt dat Israël zonder voorwaarden met Hamas moet praten, en Hamas eigenlijk veel gematigder zou zijn dan Israël ons wil doen geloven. Ook de visie dat de Israëlische bezetting en nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever het hoofdprobleem zijn en Israël eigenlijk geen vrede zou willen, klonk geregeld door. Door selectief en stigmatiserend woordgebruik bekende men eveneens kleur: Israëlische politici met ferme of nationalistische standpunten werden steevast haviken, extreem nationalistisch, extreemrechts of ultranationalistisch genoemd. Palestijnse politici met even onverzoenlijke ideeën kregen die negatieve aanduidingen niet. Hun uitspraken werden doorgaans genegeerd.

Naar de berichtgeving bij de NOS is onderzoek gedaan door de organisaties WAAR en Missing Peace, waarbij men tot vergelijkbare uitkomsten kwam. Tijdens de Gaza Oorlog van 2014 bijvoorbeeld werd zelden vermeld hoe Hamas raketten vanuit bevolkingslocaties afschoot en burgers als menselijk schild inzette, en was er weinig aandacht voor de redenen dat er zoveel minder slachtoffers vielen in Israël: Israël bouwde namelijk schuilkelders, versterkte woningen en deed er alles aan de eigen bevolking te beschermen.

De berichtgeving in beide media is sindsdien niet verbeterd. Een nieuw dieptepunt vormde een uitzending van het NOS Jeugdjournaal van 9 september 2017, toen men beelden en interviews van de organisatie Save the Children letterlijk overnam, zonder dit duidelijk aan te geven. Deze gaven een vertekend beeld van de nijpende situatie in Gaza, en legden de verantwoordelijkheid voor de problemen alleen bij Israël terwijl Hamas en de Palestijnse Autoriteit onvermeld bleven. Na klachten verscheen vijf dagen later een rectificatie op de NOS website, waarin werd gemeld dat ook leiders van andere landen, de Palestijnen zelf en Egypte met de problemen te maken hebben.

NRC Handelsblad schreef in 2016 een serie artikelen over de zogenaamde wet BEU (wet Beperking Export Uitkeringen), waarin de uitkeringen voor Nederlanders in het buitenland worden geregeld. Volgens de NRC werd ten onrechte ook een volledige AOW-uitkering betaald aan Nederlanders die over de zogenoemde Groene Lijn (dus in ‘Palestijns gebied’) wonen of zijn gaan wonen. Ik ga hier verder niet in op de details, maar van een zaak die over welgeteld elf mensen ging (deels overlevenden van de Holocaust) die een paar honderd Euro teveel zouden hebben ontvangen, maakte de NRC een schandaal van de eerste orde waarin een vermeende machtige lobby ervoor zorgde dat onze democratisch besloten wetten met voeten werden getreden. Men weidde er diverse artikelen aan en uiteindelijk werden er 156 Kamervragen over deze non-kwestie gesteld.

In december en januari jongstleden was er in de media veel aandacht voor nog zo’n onbelangrijk voorval: de volgens de meeste media zestienjarige Ahed Tamimi (waarschijnlijk is zij ouder) werd gearresteerd nadat zij twee Israëlische soldaten te lijf was gegaan. In de meeste landen is het ondenkbaar dat je soldaten aanvalt en die niets terug doen, maar de Israëliërs gaven geen kik. Ahed had al enige bekendheid gekregen door eerdere filmpjes waarin zij tekeer ging tegen soldaten. Zij is voor veel Palestijnen een heldin, zo lazen wij, een symbool van de strijd tegen ‘de bezetting’. Hoe gewelddadig die strijd is, en dat met ‘de bezetting’ heel Israël wordt bedoeld, lazen we niet. Zowel zijzelf als haar ouders en andere familieleden verheerlijken geweld en terreuraanslagen tegen Israëlische burgers. Een achternicht die door Ahed als heldin wordt geprezen, speelde een grote rol bij een zelfmoordaanslag in Jeruzalem waarbij vijftien doden vielen. Ahed wil zelf ook graag martelaar worden voor de Palestijnse zaak, zoals ze onlangs zei, maar dat alles kreeg geen aandacht in de media.

Sommige zaken halen zelden het nieuws, zoals verijdelde aanslagen in Israël of extreme uitlatingen en dreigementen van Hamas en Fatah kopstukken. Een Israëlische politicus of rabbijn die agressieve of extremistische taal uitslaat wordt wel nieuwswaardig geacht. Ook voor het wijdverbreide Palestijnse antisemitisme is nauwelijks aandacht. De extreme visies van bekende Palestijnse activisten worden veelal onderbelicht; zij worden kritiekloos geïnterviewd en hun strijd wordt vaak als gerechtvaardigd neergezet. Regelmatig komen zielig overkomende en volkomen onschuldige vrouwen en jongeren in beeld, wiens huizen worden vernield en land afgepakt. Over de achtergronden horen we weinig, wederhoor wordt nauwelijks toegepast. Wanneer iemand uit pro-Israëlische hoek al aandacht krijgt, zijn de vragen doorgaans scherp. Als bij een Israëlische vergeldingsaanval doden te betreuren zijn, wordt weinig aandacht besteed aan de redenen van de aanval.

Voor deze negatieve berichtgeving over Israël zijn verschillende redenen aan te geven. In het algemeen houden media meer van slecht dan goed nieuws, en in koppen wordt het nieuws vaak nog wat gedramatiseerd om mensen tot lezen te verleiden. (Wat te denken van een kop als ‘Israël gunt Palestijnen geen snipper van Jeruzalem’ in NRC van 2 januari?)

Doden worden eerder genoemd dan gewonden, dus wanneer een Palestijn wordt doodgeschoten nadat hij een Israëlische politieagent verwondde, staat de dood van de Palestijn centraal, niet wat daarvan de aanleiding was. Ook foto’s moeten de aandacht trekken, en een platgebombardeerd huis maakt meer indruk dan een Palestijnse raket die alleen lichte schade heeft aangericht. Israël is terughoudend in het verspreiden van beelden na aanslagen waarop teveel details te zien zijn, terwijl Palestijnen geen problemen hebben met bloederige taferelen. Overigens zijn er ook bewijzen van Palestijnse manipulatie met geënsceneerde beelden van slachtoffers.

Journalisten sympathiseren vaak met de zwakkere partij. Daarbij zijn er veel beelden van Palestijnen in trieste omstandigheden. In geen enkel gebied lopen zoveel journalisten rond en zijn zoveel buitenlandse (hulp)organisaties actief. Het is een prettig land voor oorlogsjournalisten, want Israël biedt hen het comfort en ook de veiligheid die men in het westen gewend is terwijl men ondertussen een belangrijk conflict kan verslaan. Ook speelt de kritische Israëlische pers een rol: in de krant Haaretz staan dagelijks artikelen over Israëls (vermeende) wandaden. Er zijn honderden Israëlische en Palestijnse NGO’s die alles wat er in de bezette gebieden gebeurt kritisch volgen, althans voor zover het Israëlisch handelen betreft. Palestijnse wandaden zoals het oppakken van dissidenten, wijdverbreide corruptie, wanbestuur en martelingen mogen niet vrijelijk worden aangekaart en krijgen daarom veel minder aandacht.

Westerse journalisten maken dankbaar gebruik van de informatie uit Israëlische media en van NGO’s zoals Betselem en Breaking the Silence, die een goede naam hebben in het westen, maar wiens informatie niet alleen eenzijdig maar soms ook onjuist is. De pro-Israëlische bloggers en organisaties die zulke dingen aan het licht brengen, worden genegeerd want zijn partijdig. Israëls democratie en vrije pers is zo tevens haar zwakte. Daarbij kunnen Israëlische politici nogal fel en vrijpostig zijn in hun uitlatingen, en halen al gauw de Holocaust en antisemitisme erbij. Dat geldt ook voor bekende Israëlische schrijvers, rabbijnen enzovoort. Wanneer Joden zelf bepaalde praktijken of wetten met hun eigen verleden vergelijken, is het aanlokkelijk voor journalisten om daarover te schrijven.

Israël staat in de schijnwerpers omdat haar geschiedenis verbonden is met die van het christendom en omdat we ons erg bij de moderne geschiedenis betrokken voelen. Daarbij speelt enerzijds schuldgevoel over de Tweede Wereldoorlog een rol, anderzijds de idee dat Israël ons iets is verschuldigd: we zouden het vanuit Europa hebben gesteund na de Holocaust en aan de oprichting hebben bijgedragen, en daarom mogen we ons nu, meer dan bij andere landen, bemoeien met haar beleid waar ons dat tegenstaat. Het blijven voor veel mensen toch een beetje ‘onze Joden’ die nu zelf tot nare dingen in staat blijken.

Daarbij ligt de combinatie van Joden met wapens en macht voor velen lastig; Joden, dat zijn de onschuldige slachtoffers van het antisemitisme en nazisme in Europa en elders, die zelf beter horen te weten en bij wie we de lat daarom hoger lijken te leggen dan bij andere landen en volken. Op deze manier pleiten we onszelf (onbewust) vrij. Sommige opiniemakers beweren met droge ogen dat de Israëliërs nu hetzelfde doen als hen in de jaren 1930 en zelfs erna overkwam: ze zijn geen haar beter maar verdoezelen hun wandaden door telkens ons schuldgevoel aan te wakkeren met de Holocaust. En wanneer hen antisemitisme verweten wordt, kunnen ze wijzen op kritische Joden die hetzelfde beweren.

Israël zelf is ook veranderd: aanvankelijk werd het geregeerd door centrumlinkse coalities die zich pragmatisch opstelden en vrede met hun buren nastreefden, maar vanaf 1977 kregen hardliners en religieuze partijen meer invloed en werd de visie dominanter dat de Westelijke Jordaanoever (Judea en Samaria) in Israëlische handen moet blijven, deels om strategische en deels uit religieuze overwegingen. De twee Palestijnse intifada’s, het mislukken van het Oslo vredesproces en de groeiende macht van Hamas hebben die tendens in Israël gevoed. De beelden van de Libanon Oorlog in de tachtiger jaren en daarna de beide intifada’s en het geweld waarmee daartegen werd opgetreden, hebben de publieke opinie (en ook de houding van de media) doen kantelen. Israël kon niet meer automatisch op begrip rekenen; het geweld werd als excessief en buitenproportioneel gezien.

Toch is het Israëlisch-Palestijns conflict relatief mild vergeleken met andere conflicten. Er zijn vele bezettingen, doorgaans met ernstigere misstanden en meer willekeur en repressie (en geen onafhankelijk hooggerechtshof waar de slachtoffers een beroep op kunnen doen), maar als van ‘de bezetting’ wordt gesproken bedoelt men altijd de zogenaamde Palestijnse gebieden. Bijna iedereen vindt dat de Palestijnen recht hebben op een eigen staat, vaak zonder verdere voorwaarden, terwijl volkeren als de Koerden of de Tibetanen daar minstens zoveel recht op zouden hebben op grond van objectieve criteria zoals een eigen taal, cultuur en geschiedenis, en de mate waarin die onder druk staan zonder die eigen staat. De berichtgeving over Israël speelt hierin uiteraard een grote rol.

Israël wordt gezien als een westers land dat grondgebied van niet-westerlingen bezet houdt. Wanneer een niet-westerse mogendheid hetzelfde doet heeft dat minder nieuwswaarde. Over andere bezettingen en volken zonder staat weten we daarom minder, en de landen die hen die staat zouden moeten geven zijn groter, ondemocratischer en moeilijker te beïnvloeden. We zijn geneigd Israël als westers land aan hogere normen te houden, en door zijn grote afhankelijkheid van het buitenland zijn er meer mogelijkheden invloed uit te oefenen dan bij bijvoorbeeld China of Rusland. Daarbij gaat het ook om eigenbelang: we onderhouden goede handelsbetrekkingen met de Arabische wereld en houden die dus graag een beetje te vriend.

Een kritische houding tegenover Israël is op zichzelf heel legitiem: het is de taak van de media om kritisch te zijn en door propaganda heen te prikken. Israël is, in tegenstelling tot wat veelal wordt beweerd, zeker niet boven kritiek verheven en er zijn verschillende zorgelijke tendensen in de Israëlische samenleving en politiek. Wel problematisch is de vaak eenzijdige en vertekende berichtgeving waarin Palestijns extremisme, Palestijns en Arabisch antisemitisme en problemen in de Palestijnse maatschappij stelselmatig worden onderbelicht en de bezetting als hoofdoorzaak voor het conflict wordt aangewezen. Het recent verschenen boek van Els van Diggele, waarin juist onderlinge Palestijnse problemen centraal staan, bracht daarin enige nuance en is ook door de media opgepikt. De teneur is echter onveranderd kritisch en vaak eenzijdig tegenover Israël.

Een zorgelijke ontwikkeling daarbij is dat met het anti-Israëlische ook het antisemitische sentiment wordt gevoed. Antizionisme en daaruit afgeleide Jodenhaat (beide liggen vaak dicht bij elkaar) komen tegenwoordig uit verschillende hoeken en raken soms vermengd: zowel het ‘klassieke’ antisemitisme van extreemrechts als extreemlinks alsook islamitisch antisemitisme worden aangewakkerd door de aanhoudende negatieve berichtgeving over Israël. Bovendien wordt het als legitiem beschouwde antizionisme steeds vaker als dekmantel wordt gebruikt voor antisemitisme. Tijdens uitbarstingen van geweld zoals de laatste Gaza Oorlog (die dagelijks uitgebreid op tv en in de kranten werd verslagen) neemt ook geweld tegen Joden toe. Tijdens pro-Palestina demonstraties worden antisemitisme leuzen geschreeuwd en hitsen mensen als rapper Appa de demonstranten verder op. Met name linkse organisaties en partijen hebben te weinig oog voor de gevaren hiervan en het extremisme bij (een deel van) de pro-Palestina beweging. Radicale antizionisten zoals Dyab Abou Jahjah krijgen in de media een podium; Abou Jahjah kon afgelopen zomer drie uur lang op tv zijn verhaal doen in Zomergasten en heeft meermaals in NRC Handelsblad gestaan. De media zouden zich meer bewust moeten zijn van hun verantwoordelijkheid wat dit betreft, en zouden de grens tussen legitieme kritiek op Israël en radicale en ophitsende visies beter moeten bewaken.

 

Literatuur:

Els van Diggele: We haten elkaar meer dan de Joden – Tweedracht in de Palestijnse maatschappij; Atheneaeum – Polak & van Gennep, 2017

Verwijzingen internet:


Dit artikel werd op verzoek geschreven voor het blad Zicht van het wetenschappelijk instituut van de SGP, waarin het werd geplaatst afgelopen maart in een thema-nummer over Israël.

Social Widgets powered by AB-WebLog.com.