Vluchtelingen

Palestijnse en Joodse vluchtelingen in het Midden-Oosten

Laatste update 9-5-2012

Tijdens Israëls onafhankelijkheidsoorlog zijn circa 700.000 Palestijnen (ongeveer de helft van alle Palestijnen) gevlucht c.q. verdreven uit het gebied dat Israël werd (zie ook Geschiedenis van het Israëlisch-Arabische conflict), door de Palestijnen de ‘Nakba’ (ramp) genoemd. Inmiddels is dit aantal, met name vanwege hun hoge geboortecijfer, gestegen tot over de 4 miljoen. Volgens de Palestijnen hebben deze allen het recht om terug te keren naar Israël. Israël brengt hier verschillende zaken tegenin, waarvan de belangrijkste is dat dit de Joodse meerderheid in Israël, en daarmee Joodse zelfbeschikking, in gevaar brengt. Dit noemen Palestijnen op hun beurt een racistisch argument. Israël wijst er tevens op dat ongeveer evenveel Joden uit Arabische landen zijn weggevlucht vanaf eind jaren ’40, waarvan het merendeel zich in Israël heeft gevestigd, en spreekt van een bevolkingsuitwisseling tussen Israël en de Arabische wereld, zoals die ook plaatsvonden tussen bijv. Turkije en Griekenland en India en Pakistan.

A. Palestijnse Vluchtelingen

B. Joodse Vluchtelingen en Emigranten uit Moslimlanden

refugee camp Gaza beach
Oude foto van een school met daarachter vluchtelingenkamp Al-Shati aan het strand van Gaza.


A. Palestijnse Vluchtelingen

Het ontstaan van de Palestijnse vluchtelingen

De vluchtelingen zijn een gevolg van de 1948 oorlog, waarin Israël de onafhankelijkheid uitriep en de Arabieren, die de nieuwe staat aanvielen, vernietigend werden verslagen. Deze oorlog bestond in feite uit twee fases: de eerste fase was een burgeroorlog tussen de Joden en Arabieren in Palestina, en deze begon direct nadat de VN in november 1947 voor deling van het mandaatgebied Palestina hadden gestemd.  De tweede fase begon met de aanval door de omliggende Arabische staten nadat Israël in mei 1948 de onafhankelijkheid had uitgeroepen. Beide fasen zijn door de Joden c.q. Israël gewonnen, en gedurende beide fasen zijn grote aantallen Palestijnse Arabieren gevlucht en verdreven.

In november 1947 stelden de VN voor het Britse mandaatgebied Palestina te verdelen in twee ongeveer even grote gebieden voor de Joden en de Arabieren. Jeruzalem zou onder internationaal bestuur komen. De Joden accepteerden het plan, terwijl de Arabieren, die de meerderheid vormden in Palestina (circa tweederde van de bevolking), het verwierpen. In hun ogen verloren zij van de ene op de andere dag ruim de helft van hun grondgebied. Hoewel zij hier nooit zelfbeschikking hadden gehad, beschouwden zij Palestina als Arabisch gebied en de Joden als Europese kolonisten die er niet thuishoorden, laat staan de dienst uitmaken. Direct na de stemming over het delingsplan begonnen zij een soort guerrillaoorlog tegen de Joodse gemeenschap in Palestina (Yishuv), overvielen Joodse konvooien en blokkeerden de wegen naar Jeruzalem, waar 100.000 Joden woonden. De belangrijkste Palestijns-Arabische leider, Hai Amin Al Husseini, had zich openlijk uitgesproken voor verdrijving van de Joden uit Palestina. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had hij actief met de Nazi’s gecollaboreerd, waarvoor hij was aangeklaagd door het Neurenberg Tribunaal. 

Na aanvankelijk succes van de Palestijnse Arabieren ging de Yishuv over tot de aanval en viel Arabische dorpen aan van waaruit de aanvallen plaatsvonden, waarbij de inwoners soms met geweld werden verdreven en de dorpen verwoest. Bijzonder bloedig was de inname van Deir Yassin in april 1948 door de revisionistische Irgoen, een radicale afsplitsing van de Hagana, het Joodse ondergrondse leger. Hierbij werden meer dan honderd onschuldige burgers vermoord. Hoewel de strategie van de Hagana er op was gericht dorpen aan te vallen van waaruit Joodse konvooien werden aangevallen en die actief in de gevechten betrokken waren, werden in sommige plaatsen ook Arabieren verdreven nadat zij zich hadden overgegeven, zoals in Ramleh en Lydda. Dit leidde tot verontwaardiging bij sommige leiders van de Yishuv, die een onderzoek eisten. Vooral na de inname van Deir Yassin kwam een grootschalige vluchtelingenstroom op gang. Tijdens de 1948 oorlog zijn in totaal meer dan 400 Arabische dorpen ingenomen en verwoest. Zij werden verwoest om te voorkomen dat Arabische troepen ze konden gebruiken voor aanvallen tegen Joodse doelen, maar ook om terugkeer van de vluchtelingen te voorkomen.

Arabs leave their villages in Galilee after they fall into Jewish hands
Arabische vluchtelingen verlaten Galilea  (bron: http://info.jpost.com/2000/Supplements/Haatzmaut/photos/general/4.html )

Waarom vluchtten zij?

Israëli’s en Palestijnen vertellen hier een heel verschillend verhaal over. Volgens de Israëlische versie vielen de Palestijnen de Joden aan, en vluchtten ze daarna vrijwillig, daartoe aangemoedigd en opgeroepen door de Arabische leiders, die hun een spoedige terugkeer beloofden nadat zij de Zionisten zouden hebben verslagen. Volgens de Palestijnse versie werden zij zomaar aangevallen en verdreven, en gebruikte Israël de 1948 oorlog om te doen wat zij vanaf het begin van plan waren, namelijk Palestina etnisch zuiveren van de Arabieren.

De waarheid ligt in het midden: de Arabieren zijn uit verschillende plaatsen met geweld verdreven, niet alleen uit plaatsen van waaruit aanvallen op Joodse doelen werden uitgevoerd; anderzijds waren er veel plaatsen waar de Arabieren vluchtten zonder dat zij een Israëlische soldaat hadden gezien. Uit angst voor het geweld, omdat de leiders uit hun gemeenschap reeds waren gevlucht, en/of omdat Arabische leiders hen inderdaad opriepen het gebied tijdelijk te verlaten totdat de Zionisten waren overwonnen. In sommige plaatsen, zoals Haifa, riep de Joodse gemeenschap de Arabieren op te blijven, maar vluchtten zij toch, vooral uit angst voor verraders te worden uitgemaakt als zij bleven en Joodse bescherming aanvaardden.

Verschillende Zionisten spraken zich al voor 1948 uit voor ‘transfer’ (verplaatsing) van de Arabieren; zij hadden  echter veelal een vrijwillige transfer met compensatie voor ogen. Zelfs de revisionist Jabotinski was tegen gewelddadige verdrijving van de Arabieren uit Palestina. Transfer (van beide volken) was voor het eerst door de Britten voorgesteld in het delingsplan van de Peel commissie in 1937, dat voorzag in een kleine Joodse staat (circa 20% van het mandaatgebied) en een transfer van beide bevolkingsgroepen. De Zionisten waren hierover verdeeld, en felle debatten ontstonden over de moraliteit van transfer. Eli’ezer Kaplan, hoofd van de financiële en administratieve afdeling van de Jewish Agency, zei: 

“I shall not enter now into the details of the question of the ‘transfer’ of the Arabs. But it is not fair to compare this proposal to the expulsion of Jews from Germany or any other country… The question here is one of organised transfer of a number of Arabs from a territory which will be the Hebrew state, to another place in the Arab state, that is, to the environment of their own people.” (Verklaring op de Conventie van Ihud Po’alei Zion in Augustus 1937. Al Darchei Mediniyutenu, pag. 82-83.)

De meeste discussies en citaten van Zionisten wat betreft transfer van Arabieren betreffen het Britse Peel commissie plan, hoewel sommige Zionisten zich ook daarvoor al voor transfer van Arabieren uitspraken. Deze ideeën zijn echter nooit onderdeel van het officiële beleid van de Zionistische gemeenschap geworden. Over het algemeen dacht men een Joodse meerderheid te kunnen verkrijgen door massale immigratie van Joden, met name uit Europa. De verdrijving van de Palestijnen tijdens de 1948 oorlog was dan ook geen vooropgezet plan, en Zionistische leiders waren oprecht verbaasd over de massale vlucht van de Palestijnen. Als bewijs van de geplande verdrijving van de Arabieren uit Palestina door de Zionisten wordt vaak plan D van de Hagana aangehaald. Echter dit plan bepleitte de verdrijving van Arabieren uit strategisch gelegen dorpen, van waaruit Joodse gemeenschappen of doorgangswegen werden bedreigd, en niet verdrijving van alle Arabieren uit Palestina. Dit laat onverlet dat sommige Zionisten niet ongelukkig waren met de vlucht van de Palestijnen. Door zowel Zionistische als Arabische leiders werden geruchten verspreid over vermeende wreedheden van de Zionisten: de Arabieren om de bevolking tegen de Zionisten op te zetten, de Zionisten om de Arabieren ‘aan te moedigen’ te vluchten. Deze geruchten bevorderden de vlucht van de Arabieren.

Deze vlucht werd ook bevorderd door de Arabische leiders. In de eerste plaats doordat de leiders vaak als eersten vluchtten uit een plaats, waardoor de rest van de bevolking gedemoraliseerd raakte, maar ook doordat zij de Arabieren aanmoedigden te vluchtten. Enkele voorbeelden:  Edward Atiyah, de secretaris van het Arabische Liga kantoor in Londen, schreef in zijn boek The Arabs:

“This wholesale exodus was due partly to the belief of the Arabs, encouraged by the boastings of an unrealistic Arabic press and the irresponsible utterances of some of the Arab leaders that it could be only a matter of weeks before the Jews were defeated by the armies of the Arab States and the Palestinian Arabs enabled to reenter and retake possession of their country.” 

Habib Issa schreef in het New Yorkse Libanese dagblad Al Hoda op 8 juni 1951:

“The Secretary General of the Arab League, Azzam Pasha, assured the Arab peoples that the occupation of Palestine and of Tel Aviv would be as simple as a military promenade… He pointed out that they were already on the frontiers and that all the millions the Jews had spent on land and economic development would be easy booty, for it would be a simple matter to throw Jews into the Mediterranean. — Brotherly advice was given to the Arabs of Palestine to leave their land, homes, and property and to stay temporarily in neighbouring fraternal states, lest the guns of the invading Arab armies mow them down.”

De vluchtelingen vluchtten dus om verschillende redenen, gedreven door zowel Zionistische misdaden als Arabische leiders die hen hiertoe opriepen. Israël heeft altijd geweigerd ze te laten terugkeren, hoewel men kort na de 1948 oorlog een compromis voorstelde waarin Israël 100.000 vluchtelingen zou accepteren. De Palestijnen en Arabische landen hebben altijd volledig ‘recht op terugkeer’ geëist.

Wie zijn Palestijnse vluchtelingen, hoeveel zijn er, en waar en hoe leven ze?

Volgens sommige Israëlische bronnen vluchtten in 1948 zo’n 500.000 Arabieren, volgens Palestijnse bronnen waren het er meer dan 800.000. De VN kwam op basis van schattingen en berekeningen uit op 711.000 vluchtelingen. Na de Zesdaagse Oorlog in 1967 vluchtten wederom circa 200.000 Palestijnen uit de toen bezette gebieden (waarvan een deel later weer terugkeerde).

De UNRWA (United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East, speciaal belast met de opvang van Palestijnse vluchtelingen), vermeldt dat het aantal geregistreerde Palestijnse vluchtelingen van 870.000 in 1953 gegroeid is naar 3,7 miljoen in 2000. Ongeveer een derde hiervan woont in vluchtelingenkampen. Inmiddels bedraagt dit totaal 4,3 miljoen. Hiervan zijn naar schatting nog zo’n 200.000 oorspronkelijke vluchtelingen uit 1948.
Het aantal dat UNRWA vermeldt is waarschijnlijk te hoog geschat. In totaal waren er 1,35 miljoen Arabieren in Palestina in 1948, waarvan ongeveer 135.000 binnen het grondgebied van Israël bleven, en grote aantallen bleven in hun huizen op de Westoever, in Jeruzalem en de Gazastrook. Volgens Israëlische en Zionistische bronnen was het feitelijke aantal vluchtelingen zo’n 520.000, maar de meeste observanten houden hogere aantallen voor aannemelijk. Het VN-getal van 711.000 is gebaseerd op schattingen en berekeningen die moeilijk te verifiëren zijn. Het zou betekenen dat er in totaal 846.000 Arabieren geweest moeten zijn in het gebied dat Israël werd. Een erg hoge schatting, al is bekend dat de industriële ontwikkeling in het Joodse gebied en de haven van Haifa veel arbeidsmigranten uit het achterland aantrokken. Het is tevens moeilijk te schatten hoeveel illegale (en dus ongeregistreerde) Arabieren in het mandaatgebied verbleven. Anderzijds heeft de UNRWA herhaaldelijk haar aantallen naar beneden bijgesteld nadat bleek dat mensen dubbel geregistreerd waren en ook niet-vluchtelingen zich als vluchteling hadden laten registreren om steun van de UNRWA te krijgen.

Er waren bij de UNRWA eind 2005 in totaal 4,35 miljoen vluchtelingen geregistreerd. Hiervan leven er 1,83 miljoen in Jordanië, 986.000 in de Gazastrook, 700.000 op de Westelijke Jordaanoever, 432.000 in Syrië en 404.000 in Libanon. Daarnaast leven er nog zo’n 240.000 Palestijnse vluchtelingen in Saoedi-Arabië, 70.000 in Egypte, 34.000 in Koeweit, 105.000 in andere Golfstaten (cijfers van World Fact Book en PA) en circa 250.000 Palestijnen in de VS (die over het algemeen economisch en sociaal goed zijn geïntegreerd). Deze zijn niet geregistreerd bij de UNRWA en vallen buiten haar werkterrein.

De UNRWA beschouwt iedere Arabier die tenminste vanaf juni 1946 in Palestina leefde, en zijn woning en andere eigendommen verloor als gevolg van de 1948 oorlog, en al zijn nakomelingen als vluchtelingen, en zij kunnen allen vluchtelingenstatus krijgen van de UNRWA. Zo kan de zoon van een Arabier uit Egypte of Jordanië die in 1945 naar Haifa trok om daar in de haven te werken, een vluchteling zijn. Als een gevluchte Palestijn met een Mexicaanse vrouw trouwt en bij haar intrekt, kunnen de kinderen evengoed aanspraak maken op de vluchtelingenstatus. In Israël wordt deze ruime definitie van wie voor de status van vluchteling in aanmerking komt, fel bekritiseerd, en sommigen beweren dat veel Palestijnse vluchtelingen afstammen van immigranten die pas kort voor de 1948 oorlog naar Palestina waren gekomen. Hoewel de industriële ontwikkeling en werkgelegenheid die de Zionisten maar ook de Britten creëerden Arabieren uit de omliggende landen aantrokken, betrof dit slechts een minderheid. Bovendien is het een beetje vreemd dat juist Israel dit argument gebruikt, daar zij zelf zo sterk gebaseerd is op immigratie.

Meer dan een miljoen vluchtelingen leven in vluchtelingenkampen die door de UNRWA worden onderhouden. Er zijn 59 door UNRWA erkende vluchtelingenkampen, verspreid over de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever, Jordanië, Libanon en Syrië. (Voor landkaart met vluchtelingenkampen en cijfers zie hier.) Een vluchtelingenkamp is een stuk land waarop de UNRWA voorzieningen heeft opgezet om in de basisbehoeften van de vluchtelingen te voorzien, zoals huizen, voedsel, medische zorg en scholen. Deze voorzieningen zijn ook voor vluchtelingen buiten de kampen toegankelijk. In de Gazastrook woont bijvoorbeeld ongeveer de helft van de vluchtelingen buiten de kampen. Met name de vluchtelingen in Gaza en in Libanon leven in schrijnende armoede. De Libanese vluchtelingen hebben geen Libanees staatsburgerschap, en hebben daardoor nauwelijks recht op werk en sociale voorzieningen in Libanon. Velen verlaten de kampen zelden of nooit. Mede hierdoor zijn zij sterk geradicaliseerd.


Schoolkinderen in een Palestijns vluchtelingenkamp.

Het recht op terugkeer

Israël beschouwt de vluchtelingen als een vijandige bevolkingsgroep die actief betrokken was in een oorlog tegen de Joodse gemeenschap in Palestina. Zij waren de oorlog begonnen omdat zij niet in een Joodse staat wilden leven, en geen enkele vorm van Joodse zelfbeschikking accepteerden. Direct na de 1948 oorlog werd een wet uitgevaardigd die hun terugkeer onmogelijk maakte en hun eigendommen aan de staat liet toekomen. Jordanië had een dergelijke wet gemaakt wat betreft land dat Joden toebehoorde op de door haar veroverde Westoever, maar hier ging het om veel kleinere aantallen betroffenen. De Palestijnen eisen recht op terugkeer van alle vluchtelingen naar Israël en claimen dat dit is verankerd in internationaal recht, zoals VN resolutie 194, waarin wordt gesteld dat: “the refugees wishing to return to their homes and live at peace with their neighbours should be permitted to do so at the earliest practicable date.”  Israël brengt hier tegenin dat dit geen Veiligheidsraad resolutie is, en daarmee dus niet bindend, en bovendien zijn ook honderdduizenden Joden gevlucht uit Arabische landen na de stichting van Israël. Ook zij hebben huis en haard moeten achterlaten, en ook hun eigendommen werden door de betreffende staten gekonfiskeerd, en ook zij leefden in Israël aanvankelijk in tentenkampen, totdat de Israëlische regering voor fatsoenlijke huisvesting had gezorgd.

Bovendien is het niet eerder voorgekomen dat na een oorlog honderdduizenden mensen van de aanvallende partij konden terugkeren naar land dat zij had verloren. De Sudetenduitsers waren nadat de Duitsers waren verslagen verdreven uit hun land, evenals Duitsers uit Oost-Pruisen. Polen zijn verdreven uit gebied dat de Sovjet-Unie opeiste, en nadat Pakistan was gevormd vluchtten vele Indiase moslims daarheen en hindoes uit het nieuwe Pakistan naar India. Hoe onrechtvaardig hun verdrijving ook moge zijn, deze mensen zijn allen door landen van hun etnische groep of religie opgenomen. Alleen de Palestijnse vluchtelingen leven na 60 jaar nog in vluchtelingenkampen, en de Arabische landen, met uitzondering van Jordanië, weigeren ze fatsoenlijk te huisvesten en volledige rechten te geven. De Palestijnen brengen hier tegenin dat de vlucht en verdrijving van Joden uit Arabische staten niet hun verantwoordelijkheid is. Bovendien zijn deze niet op dezelfde wijze (door vijandige legers) verdreven als de Palestijnse vluchtelingen, en wilde Israël ze graag opnemen omdat het Joodse immigratie nodig had om een levensvatbare staat te kunnen worden. De Palestijnen voeren naast resolutie 194 ook resolutie 242 aan, die wel is aangenomen door de VN Veiligheidsraad, om te bewijzen dat ‘recht op terugkeer’ is verankerd in internationaal recht. Resolutie 242, aangenomen kort na de 1967 oorlog, spreekt echter niet over recht op terugkeer, slechts over ‘een rechtvaardige oplossing van het vluchtelingenprobleem’. 

Hoewel de overgrote meerderheid van de vluchtelingen zelf niet zijn gevlucht in 1948, voelen zij nog altijd een sterke band met de plaatsen van waaruit hun voorouders zijn gevlucht. Velen hebben nog de sleutels en de eigendomsbewijzen van hun voormalige huizen, die van vader op zoon worden doorgegeven. Palestijnen die hun hele leven in Syrië of Jordanië wonen voelen zich nog steeds Palestijn en koesteren de oprechte wens terug te keren naar het land van hun voorouders. Uit polls blijkt dat de meesten (ruim 80%) inderdaad willen terugkeren naar waar nu Israël is. Volgens Israël gebruiken de Arabische landen de vluchtelingen als politiek wapen tegen haar, en wordt de wens terug te keren bewust aangewakkerd. Zo heeft de Arabische Liga Arabische staten geïnstrueerd om de vluchtelingen geen staatsburgerschap te geven, “om het verliezen van hun identiteit te verhinderen en hun recht op terugkeer naar hun thuisland te beschermen”.

Ook initiatieven van Israël om vluchtelingen in de bezette gebieden permanente huisvesting te bieden zijn door de PLO en later de PA met hetzelfde argument gedwarsboomd. In de jaren ’70 en ’80 probeerde Israël met name de vluchtelingen in de overvolle kampen in de Gazastrook te hervestigen in permanente woningen in Gaza of op de Westoever, om daarmee het vluchtelingenprobleem in het door haar gecontroleerde gebied op te lossen en het Palestijnse verzet te doen afnemen.


1977, aanleg van Sheik Radwan in Gaza

De Verenigde Naties ondersteunden de Palestijnse en Arabische bezwaren. VN Algemene Vergadering Resolutie 31/15 van 23 november 1976 riep Israël op om:

“(a) Onmiddelijk effectieve stappen te ondernemen voor de terugkeer van de betreffende vluchtelingen naar de kampen in de Gazastrook waaruit zij verwijderd waren en om in adekwate onderkomens voor hen te voorzien.
(b) Af te zien van verdere verwijdering van vluchtelingen en vernieling van hun onderkomens.”

Insgelijk verklaarde VN Algemene Vergadering Resolutie 34/52 van 23 november 1979 dat:

“maatregelen om Palestijnse vluchtelingen in de Gazastrook te hervestigen buiten hun thuis en eigendommen vanwaar zij verwijderd waren, vormen een schending van hun onvervreemdbare recht op terugkeer;
1. Roept wederom Israël op om af te zien van verwijdering en hervestiging van Palestijnse vluchtelingen in de Gazastrook en van vernieling van hun onderkomens”.

Tienduizenden Palestijnse vluchtelingen werden nochtans door Israël gehervestigd, bijvoorbeeld in Sheikh Radwan bij Gaza Stad. In tegenspraak met de Israëlische verwachtingen bleken deze echter tijdens de eerste Intifada minstens even aktief in de opstand als de vluchtelingen die in de kampen waren gebleven. Terwijl de PA hervestiging van vluchtelingen buiten de kampen afwees, ondernam zij zelf weinig om de leefomstandigheden in de kampen te verbeteren. Vluchtelingen die in Rafah dakloos werden nadat Israël hun huizen vernielde vanwege wapensmokkel onder de grens met Egypte door, werd zelfs verboden om Israëlische compensatie te accepteren.

In de Palestijnse gebieden vinden jaarlijks op Al Nakba Dag grote demonstraties plaats waarbij men met grote symbolische sleutels loopt en leuzen voor Palestina’s bevrijding worden gescandeerd. In hoeverre dit propaganda is of een oprecht verlangen terug te keren naar het land van hun voorouders, is moeilijk te zeggen; waarschijnlijk beide. Feit is, dat deze mensen vooral terugverlangen naar iets wat er al lang niet meer is, en dit heeft niet alleen met hun veelal beroerde situatie te maken. Een vluchteling uit Jaffa en zijn zoon vertellen waarom ze willen terugkeren:

Jaffa is a distant memory in the life of Ahmed Jarmi, who is now 67 and still in “active service” in the Palestinian police. He remembers only that he lived close to the sea and that the house was somewhere in the center of the city. Nevertheless, Jarmi says, he will never give up his right of return to his Jaffa home, not under any conditions or circumstances. And, he says, it’s not just a matter of sentiment.
Jarmi: “It is a sacred principle. I have lived in many countries and everywhere I went, I was treated as a refugee. Here, too, in Balata, I am treated as a refugee. I hear it at every opportunity. Sometimes I think it would have been better to have stayed in Iraq. There, at least, I got used to the surroundings I lived in. I still have not got used to Balata. The whole peace process was a deception and a bluff. What do we get out of it if I can’t go back to Jaffa?”
You live in harsh conditions. If you get financial compensation, will that persuade you to remain in Balata and give up the right of return?
“Even if I will have enough money to buy half of Nablus, that would still not solve the problem. Even if I had a million dollars, I would still be treated as a refugee. What good will money do me?”
Where exactly in Jaffa would you return to?
“I don’t know. It’s not important. The main thing is to return to Jaffa.”
Bassem, Jarmi’s son, who is 25, also serves in the Palestinian police. He has never been to Jaffa. Yet he clings to the right of return even more tenaciously than his father.
“In every Arab country I studied in I was treated like a stranger. One day, in Iraq, I had a quarrel with another student over a pencil. He said the pencil was his, I said it was mine. And then he said, ‘Isn’t it enough that you are a refugee, do you want my pencil, too?’”
Asked if returning to Jaffa will solve the problem, and whether it would be better to make do with compensation, Bassem answers: “Who will compensate me and my family for all the suffering we went through? Financial compensation cannot replace the right of return. I prefer to live in a tent in Jaffa than to stay here. The main thing is to go back to where I belong.”

(Bron: http://www.mideastweb.org/refugees3.htm )

Het belangrijkste argument van Israël tegen ‘recht op terugkeer’ is echter dat dit, vanwege het grote aantal vluchtelingen en hun hoge geboortecijfer, hoogstwaarschijnlijk binnen afzienbare tijd tot een Arabische meerderheid in Israël zou leiden, en daarmee een einde zou maken aan Joodse zelfbeschikking, iets wat ook door Arabische leiders soms expliciet wordt gezegd:

“… our principles in “Fateh” has always been to liberate all our Palestinian national land and to set up a democratic state on it. This clearly demonstrates that there has been no room for the 242, 194 and 181 resolutions in our literature. However, we to our surprise, have to begin rethinking them.
In our literature, all resolutions which deny the Palestinians their right in their homeland are false and completely rejected. This is a principle each of us abides by until we realize our return, I personally hold that we have to stick to the principle, and at the same time we must attempt to arrive at periodic solutions as a step toward attaining the principle viz. Tactic flexibility versus principle adamancy. This, I believe, is the closest approach to the refugees issue.
Fateh stance which should be adhered to in the final solution negotiations calls for abiding by the international resolutions.
To us, the refugees issue is the winning card which means the end of the Israeli state.”

(Bron: http://www.mideastweb.org/fatah_refugee_statement.htm )

Niet alleen Fatah, maar Arabische leiders en media hebben openlijk toegegeven dat het vluchtelingenprobleem en recht op terugkeer gebruikt worden als middel om Israël te vernietigen. De Egyptische president Gamal Abdel Nasser zei tegen een interviewer op 1 september 1961: “If the refugees return to Israel, Israel will cease to exist.” (Bron: http://www.mideastweb.org/refugees1.htm )

Israël wijst er dan ook op dat recht op terugkeer, in tegenstelling tot wat de Palestijnen beweren, indruist tegen het internationaal recht, bijvoorbeeld tegen artikel 2, paragraaf 1 van het VN handvest dat zegt: “The organization is based on the principle of the sovereign equality of all its members.” Aangezien Israël een VN lidstaat is, zijn alle pogingen haar te ontmantelen in tegenspraak met het internationale recht (zoals dat voor pogingen tot ontmanteling van iedere andere VN lidstaat zou gelden). Hier kan tegenin gebracht worden dat recht op terugkeer Israël niet zou ontmantelen, maar slechts het karakter van de staat zou veranderen, zoals na een wisseling van de macht binnen een staat wel vaker gebeurt. Het zou hier echter niet slechts om een machtswisseling gaan, maar om een fundamentele verandering van de staat. Israël is gecreëerd als een nationaal thuis voor de Joden, waar zij hun recht op zelfbeschikking kunnen uitoefenen en iedere Jood vrijelijk naartoe kan emigreren. Als Israël een Arabische meerderheid zou krijgen is het geen Israël meer. Daarom ook is een twee-staten-oplossing, zoals die in verschillende door de VN voorgestelde of ondersteunde plannen wordt voorgestaan, niet verenigbaar met een onbeperkt recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen. Volgens de Palestijnen is het echter onrechtvaardig dat een Jood uit Rusland of Ethiopië, wiens familie daar eeuwenlang heeft gewoond, wel naar Israël mag ‘terugkeren’, maar de Palestijnse vluchtelingen, wiens directe voorouders er hebben geleefd en voor een deel met geweld zijn verdreven, niet. Naast de Joodse vluchtelingen valt hier tegenin te brengen dat ook Israël pijnlijke concessies zal moeten doen voor een twee-staten-oplossing. Israël zal gebied moeten opgeven waar Joden een oprechte, duizenden jaren oude binding mee hebben, en waar zij ook voor 1948 gemeenschappen hadden. In Israëls ogen is het onrechtvaardig dat Joden niet in een toekomstige Palestijnse staat kunnen leven, terwijl er wel meer dan een miljoen Arabieren in Israël leven.

Oplossingen

Israël heeft tot nu toe zo’n 50.000 vluchtelingen opgenomen in het kader van familie hereniging, maar weigert een substantieel deel van de vluchtelingen op te nemen en hun (principiële) recht op terugkeer te erkennen. De Palestijnen hebben officieel altijd aan een onbeperkt recht op terugkeer vastgehouden, en uitspraken tijdens de Camp David onderhandelingen dat het grootste deel gecompenseerd zouden kunnen worden zijn later weer ingetrokken. De officiële positie van de Palestijnen tijdens de Camp David/Taba onderhandelingen wat betreft de vluchtelingen is onbeperkt recht op terugkeer. Politici die hiervan afwijken worden veelal als verraders gebrandmerkt, zoals gebeurde met de onderhandelaars van het zogenaamde Geneefse Akkoord, volgens welk het aantal vluchtelingen dat naar Israël kan terugkeren door Israël wordt bepaald. Sari Nusseibeh is een van de weinige Palestijnse politici die voorstelde het recht op terugkeer op te geven om tot een oplossing van het conflict te komen. Hij is hiervoor bedreigd en ontslagen uit zijn functie bij de PA, en heeft samen met Ami Ayalon een vredesinitiatief opgezet, The People’s Voice.

Sommige linkse vredesorganisaties, zoals Gush Shalom, stellen voor dat Israël gedurende een aantal jaren een flink aantal vluchtelingen opneemt, bijvoorbeeld 100.000, en de rest wordt gecompenseerd. Ook zou Israël de morele verantwoordelijkheid voor de Palestijnse vluchtelingen moeten erkennen. Echter het aantal Palestijnse vluchtelingen groeit, door hun hoge geboortecijfer, met meer dan 100.000 per jaar, dus hun aantal zou dan blijven toenemen. Zo waren er in 1997 3,3 miljoen bij de UNRWA geregistreerde vluchtelingen tegenover bijna 4 miljoen in 2002. Bovendien is de impact van, zeg 500.000 Palestijnse vluchtelingen, op de Israëlische samenleving groot. Volgens Israël willen deze mensen niet een onderdeel worden van de Israëlische samenleving, maar verlangen zij terug naar een Arabisch Palestina. Veel vluchtelingen zijn, mede vanwege de slechte omstandigheden waarin zij leven, behoorlijk radicaal en staan achter ‘gewapend verzet’ tegen Israël. Bovendien maakt Israël zich zorgen over de demografische gevolgen van zo’n maatregel: er leven momenteel circa 20% Arabieren in Israël, en hun geboortecijfer is hoger dan dat van de Joodse Israëli’s. Het aantal vluchtelingen verdubbelt per generatie, dus 500.000 mensen nu betekent 2 miljoen over 50 jaar. Hier valt tegenin te brengen dat ook de huidige Arabische bevolking in Israël binnen 3-4 generaties een meerderheid zal vormen als de huidige demografische ontwikkeling zich doorzet, en dat het racistisch is als een staat zich laat leiden door dergelijke statistieken. De oplossing van dit ‘demografische probleem’ ligt ons inziens in een goede integratie van Israëlische Arabieren waardoor zij zich loyale staatsburgers voelen van een staat die ook de hunne is. Op dit gebied valt er nog veel te verbeteren; zowel op sociaal-economisch gebied als wat betreft discriminatie van Arabieren in Israël. De komst van honderdduizenden vluchtelingen zal deze integratie hoogstwaarschijnlijk bemoeilijken en de tegenstellingen vergroten. Israël heeft altijd geweigerd om enige morele verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de Palestijnse vluchtelingen te erkennen. Anderzijds hebben de Palestijnen en de Arabische staten hun aandeel in de zaak ook nooit erkend, en presenteren zichzelf als onschuldige slachtoffers van Israëlische agressie. Een eerste stap naar een oplossing zou wellicht een erkenning van beide kanten van hun aandeel in de ellende en het voortdurende conflict kunnen zijn. Op basis daarvan kan een rationele oplossing worden gevonden op basis van het zelfbeschikkingsrecht van beide volken en een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor het conflict en een ieder die hier het slachtoffer van is. 

Het maximale gebied voor een toekomstige Palestijnse staat zal ruim 6.000 km2 bedragen, kleiner dan Noord-Brabant en Limburg bij elkaar. (Israël is ruim de helft van Nederland.) Hier wonen nu al tussen 3 en 4 miljoen Palestijnen, en de bevolking verdubbelt met iedere generatie. Dit gebied is waarschijnlijk niet in staat daarbij ook nog eens miljoenen vluchtelingen te huisvesten en een fatsoenlijk bestaan te bieden, zelfs als de economie zou aantrekken door internationale investeringen en open grenzen. De bevolkingsdichtheid van zowel Israël als de Palestijnse gebieden is erg hoog (meer dan 300 mensen per vierkante km in Israël en meer dan 500 pensen per vierkante km in de bezette gebieden), en water reserves en natuurlijke hulpbronnen zijn schaars. Een oplossing is dus waarschijnlijk niet mogelijk zonder dat de Arabische landen, die medeverantwoordelijk zijn voor het vluchtelingenprobleem en het Arabisch-Israëlische conflict, bereid zijn een deel van de vluchtelingen op te nemen. Daarnaast zou een deel van de vluchtelingen opgenomen kunnen worden in de VS of Europa. Hun repatriëring zou betaald kunnen worden uit een internationaal fonds waaraan zowel Israël als Westerse landen en de VN een bijdrage leveren.

UNRWA

De UNRWA is opgezet in 1949, onder VN-resolutie 302, als tijdelijk onderdeel van de Verenigde Naties met de doelstelling om humanitaire hulp te verlenen aan Palestijnse vluchtelingen. Haar mandaat is sindsdien iedere 3 jaar verlengd. Palestijnse vluchtelingen werden doelbewust uitgesloten van de diensten en hulp van de kort nadien opgerichte UNHCR (resolutie 319), aangezien de UNRWA al zorg voor hen draagt. Behalve dit verschil, is een belangrijk verschil tussen beide organisaties dat de UNRWA een beperkter mandaat heeft: het kan slechts humanitaire hulp bieden, terwijl de UNHCR ook de taak heeft een permanente oplossing voor het vluchtelingenprobleem te helpen vinden. UNRWA zelf beschrijft het verschil als volgt:

“Eén reden voor het onderscheid is dat over het algemeen de UNHCR het mandaat heeft om vluchtelingen 3 opties aan te bieden, namelijk lokale integratie of hervestiging in derde landen of terugkeer naar hun thuisland – opties die vrijwillig moeten worden geaccepteerd door vluchtelingen onder de hoede van de UNHCR. Deze opties zijn niet geschikt voor Palestijnse vluchtelingen aangezien de eerste twee opties onacceptabel zijn voor de vluchtelingen en hun gastlanden en de derde optie wordt afgewezen door Israël. Gezien deze context eist de internationale gemeenschap, middels de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, van de UNRWA om door te gaan met het verlenen van humanitaire hulp in afwachting van een politieke oplossing.” (Bron: website UNRWA)

De UNRWA is een hulpverlenings- en ontwikkelingsorganisatie, die onderwijs, gezondheidszorg, sociale voorzieningen  en noodhulp verleent aan meer dan 4,3 miljoen vluchtelingen in de Gazastrook, de Westoever, Jordanië, Libanon en Syrië. Het is de grootste VN-operatie in het Midden-Oosten, met meer dan 27.000 medewerkers, bijna allemaal zelf vluchteling, die als leraar, dokter, verpleegster of sociaal werker voor hun eigen gemeenschap werkzaam zijn. (Bron: website UNRWA)

De UNRWA wordt gefinancierd door vrijwillige bijdragen van donorlanden. De grootste contributies komen van de VS, de Europese Commissie, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.

Volgens Israël is de UNRWA niet neutraal en kiest zij partij voor de Palestijnen. Aangezien UNRWA werkt voor de Palestijnse slachtoffers van het conflict, en de overgrote meerderheid van haar medewerkers Palestijnen zijn, is dit niet zo vreemd. Peter Hansen, de voormalig hoogste commissaris, heeft in een interview openlijk toegegeven Hamas-leden in dienst te hebben. Gezien de populariteit van de Hamas in de vluchtelingenkampen, met name in de Gazastrook, is dit niet verbazingwekkend. Zijn verklaring dat dit de VN standaards voor neutraliteit niet schaadt klinkt dan ook niet erg overtuigend. Israël heeft een ambivalente houding naar UNRWA: enerzijds geeft het ook geld aan de UNRWA en ondersteunt haar werkzaamheden, omdat het inziet dat de vluchtelingen deze hulp bitter nodig hebben. Anderzijds wantrouwt het UNRWA en heeft het UNRWA meermaals beschuldigd van steun aan terroristische activiteiten, bijvoorbeeld door het gebruik van VN voertuigen voor de smokkel van wapens. Deze beschuldigingen bleken niet altijd terecht. Ook beschuldigt men UNRWA ervan het vluchtelingenprobleem in stand te houden in plaats van op te lossen, daar niet mee wordt gewerkt aan herhuisvesting van vluchtelingen binnen de gebieden/landen waar zij nu leven. Volgens pro-Israëli’s is het vreemd dat de missie van de UNRWA verschilt van die van de UNHCR, die wel gericht is op het vinden van een permanente oplossing, en is het sowieso vreemd dat er alleen voor de Palestijnse vluchtelingen een speciale organisatie is opgericht. Men verdenkt de UNRWA ervan het verlangen naar en de mogelijkheid tot terugkeer naar Israël bewust in stand te houden. Volgens UNRWA valt herhuisvesting van de vluchtelingen buiten haar mandaat, en kan dit pas plaatsvinden binnen een politieke oplossing van het conflict, met instemming van beide partijen.

Zie ook: UNRWA and moral hazard (Middle Eastern Studies)

B. Joodse Vluchtelingen en Emigranten uit Moslimlanden

Vergeten vluchtelingen

Naast het knellende probleem van de Palestijnse vluchtelingen, zijn er – grotendeels eveneens als gevolg van het Israëlisch-Arabische conflict – minstens even zoveel Joden weggevlucht uit Arabische landen. Zij worden vaak ‘vergeten vluchtelingen’ genoemd, omdat er nauwelijks aandacht is besteed aan hun verdrijving. Enerzijds omdat zij niet tijdens één oorlog hun geboorteland verlieten, maar verspreid over een periode van 20 tot 30 jaar, anderzijds omdat zij allen een nieuw thuis hebben gevonden: tweederde van hen werd in Israël opgevangen en de rest vestigde zich in hoofdzakelijk Westerse landen. Zij worden ook vergeten genoemd omdat de VN hun verdrijving nooit heeft veroordeeld, zij geen hulp van de VN kregen en geen erkenning of schadeloosstelling door de Arabische landen of de internationale gemeenschap. Israël wijst er vaak op dat de verdrijving van de Joden uit de Arabische wereld minder gerechtvaardigd was dan de verdrijving van de Palestijnen, die tenslotte een burgeroorlog tegen de Joden in Palestina waren begonnen, en dat de Arabische landen de Palestijnen zouden moeten herhuisvesten zoals de Israëli’s allang met de Joodse vluchtelingen hebben gedaan. Er was in die optiek sprake van een uitwisseling van bevolkingsgroepen, zoals dat bij meer conflicten tussen staten in de 20ste eeuw gebeurd is (India en Pakistan, Griekenland en Turkije, enz.).

Dat neemt niet weg dat het Israël op zich van pas kwam om de Joodse vluchtelingen op te nemen: het land kon de bevolkingsaanwas goed gebruiken, en het bieden van een veilig toevluchtsoord aan vervolgde Joden was één van de hoofdredenen voor de oprichting van de Joodse staat. De Arabische landen bevestigden zo feitelijk het bestaansrecht van Israël. Onder de Joodse gemeenschappen in de Arabische/islamitische wereld was aanvankelijk maar een minderheid enthousiast voor de Joodse staat, dus de Arabische vijandschap tegenover hen had geen objectieve grond. Alleen vanuit Jemen waren al vanaf eind 19de eeuw duizenden Joden naar Palestina getrokken. De meeste Joodse vluchtelingen voelen er niet voor om zich weer in hun land van herkomst te vestigen, maar voor zover ze worden toegelaten bezoeken ze die landen wel nog, en ze proberen de herinnering aan hun verleden en hun specifieke cultuur levend te houden. Organisaties van Joodse vluchtelingen vechten vooral om erkenning van het leed dat hen is aangedaan, en daarnaast voor financiële compensatie voor de achtergelaten bezittingen. Anderen verzetten zich tegen de kwalificatie ‘vluchteling’ omdat ze een slachtofferrol afwijzen.

De Joodse bevolking in de Arabische wereld en Perzië (Iran) telde in 1948 nog 800.000 tot 900.000 personen. Sinds de oprichting van Israël is dit aantal afgenomen tot minder dan 8.000 in Arabische landen en 25.000 in Iran. Na de oorlog van 1948 tussen Israël en de Arabische landen, de onafhankelijkheid van Arabische landen die voorheen Franse en Britse kolonieën of protectoraten waren, en de Zesdaagse Oorlog van 1967, verslechterde de positie van de Joodse gemeenschappen in de Arabische wereld door pogroms en vervolging en discriminatie door de overheden, en vluchtten de meeste Joden weg of werden verdreven. Israël nam – zonder steun van UNWRA of de VN – zo’n 600.000 Joodse vluchtelingen uit Arabische landen op. Velen moesten jarenlang bivakeren in tentenkampen (ma’abarot) voor er huisvesting voor hen beschikbaar kwam. De integratie in de door Ashkenasi Joden van Europese herkomst gedomineerde Israëlische samenleving verliep aanvankelijk moeizaam, daar deze de nieuwkomers en hun cultuur als achtergebleven beschouwden. De overige Joodse vluchtelingen en emigranten trokken overwegend naar de VS, Canada en Frankrijk.

Maabarah camp city Israel  Maabarah camp in Israel - children
Joodse vrouw en kinderen in opvangkamp Maabarah in Israël.

Achtergronden

De Joden uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika worden vaak aangeduid als Sefardische (Spaanse) of Mizrahi (Oosterse) Joden, de eersten verwijzend naar het Iberische schiereiland van waaruit zij in de Middeleeuwen waren verdreven, de tweede verwijzend naar de Joodse gemeenschappen die soms al meerdere millennia woonden in wat in de zevende eeuw Arabisch en islamitisch gebied werd. De termen Sefardi en Mizrahi worden tegenwoordig beide wel gebruikt om deze groepen gezamenlijk aan te duiden, die hun religieuze en culturele tradities grotendeels gemeen hebben.

De oude Joodse gemeenschappen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika leefden sinds de islamisering van deze gebieden met de status van dhimmi, een ondergeschikte positie die gold voor joden en christenen in moslimlanden, met beperkte rechten op religieus, wettelijk en sociaal-economisch gebied.
Vaak hadden Joden (met name de elite) ook een uitzonderlijke positie doordat ze in de handel aktief waren en relatief mobiel waren; ze werden als intermediars ingezet door Arabische heersers en later door de koloniale machten, met name Frankrijk (die bijv. de Algerijnse joden de Franse nationaliteit gaf) en Engeland. Egypte nodigde in de negentiende eeuw joden uit zich daar te vestigen om de economische ontwikkeling (met name de handel) te bevorderen. Deze joden en hun afstammelingen kregen echter geen Egyptisch staatsburgerschap. De joden werden ook de dupe van spanningen tussen de Arabische bevolking en de Europese machthebbers, zoals bij een pogrom in het joodse getto van Fez (Marokko) in 1912, die 51 joden het leven kostte.

Moderne exodus

De 20ste eeuwse exodus was veelal het gevolg van discriminatie en vervolging door de moslim meerderheid en/of door de regeringen van de Arabische landen. Het vertrek van Joden uit islamitische landen nam massale vormen aan na de vestiging van de staat Israël, de dekolonisatie van de betreffende landen en de oorlogen tussen Israël en haar buren in 1948, 1956 en 1967.

Kort voordat de VN in 1947 het delingsplan voor Palestina aannamen, waarschuwden verschillende woordvoerders van Arabische staten dat er in hun landen rellen en pogroms zouden uitbreken, en dat zij geweld tegen hun eigen Joodse minderheden niet zouden kunnen voorkomen als het delingsplan werd aangenomen. Tijdens de Israëlisch-Arabische oorlog van 1948 namen veel landen beperkende maatregelen tegen hun Joodse minderheden, die men deels beschouwde als een “vijfde kolonne” van Israël. In 1949 dreigden de Arabische staten hun Joodse minderheden te verdrijven als de Palestijnse Arabieren niet zou worden toegestaan terug te keren naar Israël. Ondanks die dreigementen was men er beducht voor om de Joden daadwerkelijk te verdrijven, omdat men vreesde dat zij naar Israël zouden gaan en daarmee de vijand zouden versterken. Na 1948 hadden verschillende landen daarom emigratie van hun Joodse inwoners verboden, dan wel voor een beperkt aantal jaren toegestaan, vaak met als voorwaarde dat zij afstand zouden doen van hun staatsburgerschap en hun bezittingen zouden achterlaten, en dat zij zouden verklaren zich niet in Israël te vestigen. In verschillende landen hadden Zionistische organisaties de Joden opgeroepen tot emigratie; soms moesten ze een soort ‘losgeld’ betalen om hun vertrek mogelijk te maken (Marokko), regelde Israël de reis (Jemen) of moesten ze het land worden uitgesmokkeld (Syrië). Egypte zette haar Joodse inwoners eigenhandig het land uit. De situatie wordt hieronder per land beschreven.

Zie ook: Seven myths about Jews from Arab countries

Marokko

Geschatte Joodse bevolking: 1948 – 265.000 / 2001 – 5.000 of 17.000?

In Marokko waren al minstens tweeduizend jaar Joodse gemeenschappen. Uit de vroege Middeleeuwen zijn enkele grote massaslachtingen op Joden in Marokko bekend, maar nadien scheen hun situatie wat te verbeteren. Uit Spanje verdreven Joden mochten zich in de 15de eeuw in Marokko vestigen. Als dhimmi’s hadden ze echter een ondergeschikte positie, en in het begin van de 19de eeuw werden ze gedwongen in ommuurde getto’s te gaan wonen. De discriminatie werd grotendeels opgeheven toen Marokko in 1912 een Frans protectoraat werd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerde koning Mohammed V om zijn Joodse onderdanen aan het met de Nazi’s collaborerende Vichi regime uit te leveren. Nochtans moest hij antisemitische maatregelen doorvoeren, en werden Joden met Frans staatsburgerschap wel gedeporteerd. In juni 1948 braken rellen tegen de Joden uit, waarbij 44 Joden omkwamen, en een jaar later vielen weer doden bij rellen in noord-Marokko. Een onofficiële economische boycot werd tegen de Joden ingesteld. In 1948-1949 emigreerden 18.000 Joden naar Israël, waarna de emigratie terugliep tot enkele duizenden per jaar. Behalve discriminatie en (de dreiging van) geweld, speelde ook de toenemende armoede een rol bij de emigratie; vooral de verpauperde Joden uit zuid-Marokko vertrokken als eersten, met steun van Joodse organisaties en van Israël. In de vroege jaren ’50 moedigden Zionistische organisaties emigratie naar Israël aan, maar die steeg vooral weer met sprongen toen Marokko in 1955 onafhankelijk werd. In 1956 verbood de Marokkaanse regering emigratie geheel, maar illegaal bleven jaarlijks enkele duizenden Joden naar Israël vertrekken. In de jaren ’60 werd door de nieuwe koning, Hassan II, tegen betaling weer emigratie toegestaan, en emigreerden in 4 jaar tijd 100.000 Joden uit Marokko. Tussen 1948 en 1967 waren bijna 238.000 Joden uit Marokko naar Israël geemigreerd. Na de oorlog van 1967 namen de spanningen in Marokko toe en emigreerden vooral Joden uit de middenklasse naar Europa en Noord-Amerika; in 1971 waren er nog zo’n 35.000 Joden in Marokko over. De meerderheid leeft tegenwoordig in Casablanca. Koning Hassan II nodigde in zijn latere jaren de emigranten uit om terug te keren naar Marokko, maar hieraan werd vrijwel geen gehoor gegeven. Wel bezoeken Joodse emigranten tegenwoordig Marokko, en wordt de Joodse gemeenschap door de overheid beschermd. Het klimaat voor Joden in Marokko is één van de tolerantste in de Arabische wereld. Nochtans verschillen de meningen over de relaties tussen joden en moslims in Marokko aanzienlijk: Een Amerikaanse jood in Marokko schrijft er zeer mild over in “Why Jews emigrated from Morocco“.  Een Morokkaanse schrijver had een ander oordeel over de houding van zijn mede moslims tegenover hun joodse buren:

“The worst insult that a Moroccan could possibly offer was to treat someone as a Jew…. My childhood friends have remained anti-Jewish. They hide their virulent anti-Semitism by contending that the State of Israel was the creature of Western imperialism…. A whole Hitlerite myth is being cultivated among the populace. The massacres of the Jews by Hitler are exalted ecstatically. It is even believed that Hitler is not dead, but alive and well, and his arrival is awaited to deliver the Arabs from Israel.” (Said Ghallab, “Les Juifs sont en enfer,” in Les Temps Modernes, (April 1965), pp. 2247-2251)

Algerije

Geschatte Joodse bevolking: 1948 – 140.000 / 2001 – 0

Vanaf de Franse kolonisatie in 1830 werden de Algerijnse Joden geleidelijk verfranst. In 1841 vielen zij onder het Franse rechtssysteem en in 1845 werde Franse Joden in Algerije als hoofdrabijnen aangesteld. Vanaf 1865 konden Algerijnse Joden en moslims het Franse staatsburgerschap aanvragen. Onder druk van prominente Franse Joden kregen in 1870 alle Algerijnse Joden het Franse staatsburgerschap, met als doel hen de Franse cultuur en beschaving bij te brengen. De Algerijnse Joden verfransten binnen één generatie. Anti-Joodse rellen vonden alleen plaats in 1934 in Constantine, met 25 doden tot gevolg. Na de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 werd de Joden hun economische rechten ontnomen, en de nationaliteitenwet van 1963 sloot hen uit van Algerijns staatsburgerschap. Bijna 130.000 Joden emigreerden daarop naar Frankrijk, waarvan ze wel het staatsburgerschap hadden. Sinds 1948 zijn meer dan 25.000 Algerijnse Joden naar Israël geemigreerd. De laatste jaren vertrekken vanuit Frankrijk veel Joden van Algerijnse afkomst naar Israël.

Tunesië

Geschatte Joodse bevolking: 1948 – 105.000 / 2001 – 1.000 tot 2.000

Tijdens de Tweede Wereldoorlog leed de Joodse gemeenschap onder de Duitse bezetting, die een half jaar duurde, maar na de oorlog bloeide de Joodse gemeenschap weer op. Na de onafhankelijkheid van Frankrijk in 1956 werden echter alle joodse instituties opgeheven, en werd de oude joodse wijk van Tunis – waar ruim de helft van de Tunesische Joden woonde – gesloopt ten behoeve van stadsvernieuwing. Met name de Suezcrisis en de Zesdaagse Oorlog gingen gepaard met rellen en aanvallen op de Joodse gemeenschap. De meeste Joden emigreerden naar Frankrijk en zo’n 40.000 naar Israël. In 1967 waren er nog 20.000 Joden over in Tunesië. De Tunesische regering veroordeelde het geweld, en riep de Joden op om te blijven. Sinds de jaren ’80 biedt de overheid actieve bescherming aan de resterende Joodse gemeenschap.

Libië

Geschatte Joodse bevolking: 1948 – 38.000 / 2002 – 0

Ten tijde van de Italiaanse kolonisatie in 1911 woonden er ongeveer 21.000 Joden in Libië, in 1948 was dit aantal gegroeid naar circa 38.000; tegenwoordig wonen er geen Joden meer. In de late jaren ’30 nam de repressie toe door anti-Joodse wetten. De Joden vormden in 1941 een kwart van de bevolking van Tripoli. Tijdens de Duitse bezetting van de Joodse wijk in 1942 kregen zij het zwaar te verduren, maar ook na de bevrijding door de Britten werd het niet veel beter. Bij pogroms in 1945 waren in Tripoli meer dan 140 Joden omgekomen en de meeste synagogen geplunderd. In juni 1948 kwamen weer Joden om bij pogroms, waarna zo’n 3.000 Joden illegaal het land ontvluchtten naar Israël. Toen de Britten in 1949 emigratie toestonden, verlieten in enkele jaren tijd nog ruim 30.000 Joden het land. In 1951 werd Libië onafhankelijk. Na de Suez Crisis van 1956 vonden weer pogroms plaats, waarna nog slechts zo’n 100 Joden in Libië overbleven. De laatste daarvan stierf in 2002. Na 1956 werden door de Libische regering verschillende wetten aangenomen die de vluchtelingen hun staatsburgerschap en bezittingen afnam en alle contacten met Israël verbood.

Egypte

Geschatte Joodse bevolking: 1948 – 80.000 / 2001 – 200

De meerderheid van de Egyptische Joden stamden niet af van de millenia-oude Joodse gemeenschap daar, maar van immigranten die in de tweede helft van de 19de eeuw naar Egypte waren gekomen op uitnodiging van het toenmalige staatshoofd. Onder Brits bestuur was het aantal Joden in Egypte nog toegenomen tot bijna 100.000 door de toelating van vluchtelingen uit Oost-Europa. Diverse nationaliteitenrichtlijnen vanaf 1869 werden door Egyptische functionarissen uitgelegd als dat Joden geen Egyptische nationaliteit hadden, en de nationaliteitenwet uit de jaren ’20 sloot 85% van de Joden definitief uit van Egyptisch staatsburgerschap, doordat deze alleen mensen van Arabische afkomst en moslims als Egyptenaren erkende. Begin jaren ’40 vonden de eerste pogroms plaats, door toedoen van de Mufti van Jeruzalem, die de Egyptische bevolking tegen de Joden ophitste. Mede vanwege de weerstand tegen de Britse overheersing steunden diverse groeperingen tijdens de oorlog Nazi-Duitsland. (In de jaren ’50 gaf Egypte zelfs asiel en staatsburgerschap aan Duitse oorlogsmisdadigers.) De spanningen namen verder toe na de oorlog. In 1947 kostte een wijziging van de wet op de bedrijven veel Joden en andere etnische minderheden hun baan, doordat nog maar 10% van het personeel uit niet-Egyptenaren mocht bestaan. In 1948 stierven minstens 70 Joden door bomaanslagen op Joodse buurten in Cairo en kwamen velen om bij rellen. Honderden anderen werden gearresteerd en hun bezittingen in beslag genomen. Tot midden jaren ’50 vertrokken minstens 34.000 Egyptische Joden naar Israël met achterlating van hun bezittingen. Na de Lavon Affaire van 1954 (een schandaal waarbij Israëlische spionnen in Egypte aanslagen tegen Westerse doelen planden) en de Suez Oorlog van 1956, werden bijna 25.000 Joden uit Egypte verbannen en hun bezittingen geconfisceerd, en 1.000 anderen gevangen gezet.

Na de Zesdaagse Oorlog in 1967 werd het merendeel van de 15.000 overgebleven Joden gedwongen Egypte te verlaten, sommigen na maandenlange gevangenschap en mishandeling en marteling. Tweederde van de Egyptische Joden vestigde zich in Israël. Nadat Egypte in 1979 vrede sloot met Israël werden de rechten van de overgebleven Joden hersteld, maar erkenning van de verdrijvingen en confiscaties is uitgebleven. Met nauwelijks nog Joden in het land en ondanks het vredesverdrag met Israël, is antisemitisme in hedendaags Egypte wijd verbreid en wordt het aangewakkerd in de door de staat gecontrolleerde media.

Libanon

Geschatte Joodse bevolking: 1948 – 5.000 tot 7.000 / 2001 – 100

Hoewel er al in de oudheid een Joodse gemeenschap in Beiroet was, kwamen veel Joden pas in de 20ste eeuw naar Libanon, o.a. vanuit Turkije en Griekenland. Onder Frans bestuur verbeterde de positie van de Joden en ook de gemengde bevolkingsopbouw van Libanon zorgde voor een relatief tolerant klimaat. De Joodse gemeenschap steunde de onafhankelijkheid van Libanon in 1943 en had gemengde gevoelens over het Zionisme. In 1948 waren er rellen, en werden de Joden verplicht tot een financiële bijdrage aan de strijd tegen Israël. De toegenomen spanningen leidden in de jaren ’50 en ’60 tot het vertrek van de meeste Joden uit Libanon. In 1974 waren er nog 1.8000 Joden over, die grotendeels tijdens de Libanese burgeroorlog alsnog het land verlieten. In de jaren ’80 werden enkele Libanese Joodse zakenmensen door Hezbollah ontvoerd.

Syrië

Geschatte Joodse bevolking: 1948 – 30.000 / 2001 – 100

In 1943 leefden 17.000 Joden in Aleppo en 11.000 in Damascus. Emigratie naar Palestina werd vanaf 1945 door de regering beperkt, en er waren rellen in 1945 en 1947. Bij de pogroms van 1947 kwamen 75 Joden om in Apello en ontvluchten 7.000 de stad. De regering nam in de daaropvolgende jaren Joodse eigendommen in beslag, ontsloeg Joodse overheidsambtenaren en beperkte hun bewegingsvrijheid. De meeste Joden ontvluchten Syrië illegaal, vaak met hulp van buitenaf. 10.000 Joden emigreerden naar de VS en 5.000 naar Israël. Een Canadese Jodin hielp vanaf de jaren ’70 heimelijk meer dan 3.000 Joden uit Syrië te ontsnappen, vaak tegen betaling van losgeld. Begin jaren ’90 woonden er nog duizenden Joden in Syrië, toen de regering onder Amerikaanse druk visa begon te verstrekken (op voorwaarde dat ze niet naar Israël zouden emigreren). Het merendeel vertrok toen naar de VS, van waaruit een aantal later alsnog naar Israël emigreerden.

Irak

Geschatte Joodse bevolking: 1948 – 150.000 / 2001 – 100

Na een pro-Duitse couppoging in 1941 kwamen circa 200 Joden om bij rellen in Bagdad. Na 1948 was emigratie van Joden enkele jaren verboden, omdat Irak vreesde dat zij naar Israël zouden gaan. De toenemende repressie en antisemitisme zette intussen een grote druk en onzekerheid op de Joodse gemeenschap. Onder diplomatieke druk stond Irak vanaf maart 1950 een jaar lang emigratie toe, en verlengde die termijn daarna nog eens. Emigranten raakten hun staatsburgerschap kwijt en hun bezittingen en tegoeden werden geconfisceerd.

Na enkele bomaanslagen (waarvan sommigen Israël betichtten) verlieten ongeveer 120.000 Irakese Joden het land met Israëlische hulp. In 1951 werden ondergrondse Zionistische groepen ontmaskerd en gearresteerd, waarvan enkele leden werden veroordeeld voor de bomaanslagen en werden opgehangen. Het merendeel van de enkele duizenden overgebleven Joden verliet Irak in de loop van de jaren ’60 en ’70, vooral toen de repressie en vervolging verder toenam na de machtsovername van de Ba’ath partij en de Zesdaagse Oorlog. In 1968 werden 11 Joden en 3 anderen opgehangen op beschuldiging van spionage.

Bahrein

Geschatte Joodse bevolking: 1948 – 600 / 2006 – 36

De kleine Joodse gemeenschap in Bahrein stamde hoofdzakelijk af van immigranten uit Irak van begin 20ste eeuw. In de decennia na 1948 verlieten de meesten het land, o.a. naar Engeland. Bahrein is de enige Golfstaat met een synagoge, en de verhoudingen met de Arabische meerderheid zijn goed te noemen. In 2002 werd een Jood in het parlement gekozen.

Jemen

Geschatte Joodse bevolking: 1948 – 63.000 / 2001 – 200 tot 1.000

In 1948 telde Jemen 55.000 en Aden (in zuid-Jemen, destijds een Britse kroonkolonie) 8.000 Joodse inwoners. Ze worden ook wel Temani genoemd. In Jemen bestond aan het begin van onze jaartelling enkele eeuwen een Joods koninkrijk, waarna Ethiopische christenen en nadien moslims de macht overnamen. De Joodse gemeenschap in Jemen was arm en achtergesteld. Eind 19de eeuw vertrokken al enkele duizenden Joden uit Jemen naar Jeruzalem.

Na de onafhankelijkheid van Jemen in 1918 werden oude islamitische wetten opnieuw ingevoerd en werden de Joden weer tot tweederangs burgers gedegradeerd, waarna tot 1945 in totaal 17.000 Joden naar Palestina emigreerden. Ruim 80 Joden kwamen om bij rellen in Aden in 1947 (na aanname van het delingsplan van Palestina), waarbij veel Joodse huizen en winkels vernield werden, en begin 1948 braken er rellen uit in Jemen n.a.v. vermeende rituele moorden. Van 1949 tot 1950 werden in een geheime operatie bijna 50.000 Joden uit Jemen en Aden per vliegtuig naar Israël overgebracht. Duizenden anderen verlieten het land in de jaren ’50.


© Dit artikel is copyright Israël-Palestina Informatie, afgezien van onderdelen waarvoor andere bronnen worden vermeld. Voor overname gelieve kontakt met ons op te nemen via het e-mail adres. Beperkte citaten voorzien van een link naar deze webpagina zijn toegestaan.


Links over Palestijnse vluchtelingen:

Links over Joodse vluchtelingen:

Comments are closed.