Zionisme

Definitie, geschiedenis en beleid van de Zionistische beweging

Laatste update 2-4-2013

Het Zionisme is in wezen niet meer dan de benaming voor de Joodse nationale beweging, een politieke beweging voor een soeverein thuisland voor Joden.

Het is een uitzonderlijke nationale beweging, omdat het enerzijds één van de oudste volken betreft met een duidelijke verbondenheid met een specifiek grondgebied, en anderzijds dat volk voor het overgrote deel vele eeuwen fysiek van dat grondgebied gescheiden is geweest.

Hoewel het belangrijkste bindmiddel van het Joodse volk – zowel onderling als met hun land van herkomst – de joodse religie was, is het Zionisme ontstaan als een grotendeels a-religieuze politieke beweging.

Het Zionisme kwam op in de 19de eeuw en was een ideologisch zeer diverse beweging, waarin religieuze, culturele en socialistische Zionisten een plek hadden.

Theodor Herzl

Inhoud:

 

Definitie Zionisme

Als algemene definitie kan gelden dat Zionisme de nationale beweging is voor de terugkeer van het Joodse volk naar haar historische thuisland. Het stelt dat de Joden het recht op zelfbeschikking hebben in hun eigen nationale staat, en het recht hun eigen nationale cultuur te ontwikkelen. Het Zionisme streefde naar een wettig erkend nationaal thuis voor de Joden, wat bereikt werd met de oprichting van de staat Israël in 1948. Hedendaags Zionisme steunt het bestaan van Israël en de immigratie van Joden erheen, alsmede het behoud van de Joodse taal en cultuur. Er is een radicale stroming -vaak aangeduid als maximalisme- die het grondgebied van de staat verder wil uitbreiden met de bezette Palestijnse gebieden.

Voorgeschiedenis van het Zionisme

In de diaspora hielden de Joden een band met het land waar hun heilige plaatsen lagen en een heimwee naar de betere tijden daar. Die band was grotendeels spiritueel en religieus. Pogingen tot daadwerkelijke terugkeer werden veelal verhinderd door de Christelijke en Islamitische heersers.

Na de Bar Kochba opstand in 132 na Chr. waren de meeste joden door de Romeinen uit hun land verdreven, waarna het werd omgedoopt tot Palestina. De Joodse gemeenschap in Palestina herstelde zich weer gedeeltelijk, en heeft voor de komst van de kruisridders zo’n 300.000 mensen geteld. De kruisridders vermoordden of verdreven in de 11e eeuw  na Christus bijna de gehele  joodse gemeenschap, zodat er na de herovering door de Koerdische moslimleider Saladin nog maar zo’n 1000 families over waren. In latere eeuwen poogden herhaaldelijk kleinere, religieus geïnspireerde en door vervolging gedreven groepen joden om zich in Palestina te hervestigen, vaak zonder succes. Ze hadden moeite er een bestaan op te bouwen, werden verjaagd of moesten zich onder dwang bekeren tot de islam. In 1517 veroverden de Ottomanen Palestina op de Mameluken, waarna de Turkse Sultan joden die voor de Spaanse inquisitie waren gevlucht toestond zich in Palestina te vestigen.

Afgezien van de tijd van de kruistochten leefden de meeste Palestijnse joden in Jeruzalem. Daarnaast zijn er ook relatief grote gemeenschappen geweest in Tiberias, Safed en Hebron. Zij werden meermaals vernietigd door ziekten, aardbevingen of vijandigheid van de moslimbevolking, en weer opnieuw opgebouwd, maar hebben elk nooit meer dan enkele duizenden inwoners geteld.

Vanaf 1700 zijn verschillende rabbijnen met hun volgelingen naar Palestina getrokken.

In het begin van de 19e eeuw ondernamen joden voor het eerst pogingen zich op grotere schaal in Palestina te vestigen, en ook stukken land te kopen en te bewerken, en werd gesproken over terugkeer naar het land van Israël als voorwaarde voor ‘herstel’ van het Joodse volk.

Bij de eerste moderne volkstelling in 1844 telde Jeruzalem 7120 joden, 5760 moslims en 3390 christenen. In heel Palestina leefden zo’n 17.000 joden.

Opkomst van het Zionisme

De Franse Revolutie had formeel een einde gemaakt aan de rechtsongelijkheid tussen rangen en standen en tussen religieuze en etnische groepen in de door Frankrijk beheerste gebieden, en ook elders hadden verlichte vorsten in mindere of meerdere mate de joden vrijgelaten uit hun Middeleeuwse getto’s en meer gelijke rechten toegekend. In 1871 (gelijkstelling in Duitsland) hadden alle Europese staten op Rusland na de joden geëmancipeerd. 

Joods familieorkest Oude Pekela circa 1915 (bron: JHM)

De keerzijde van deze emancipatie was dat oude groepsrechten (zoals een eigen intern rechtssysteem) niet meer werden toegestaan, en Joden alleen nog als individuele burgers werden beschouwd. In het 19de eeuwse Nederland was het regeringsbeleid gericht op assimilatie, en gingen de Joden zelf ook steeds meer over op het gebruik van de Nederlandse taal in plaats van het Jiddisch en het aanpassen aan de lokale cultuur en gewoonten. Secularisering en gemengde huwelijken namen toe. Veel Joden gingen zich meer loyaal voelen aan het land waar zij woonden dan aan hun Joodse afkomst.

De emancipatie van de Europese Joden stelde hen bloot aan moderne ideeën van liberalisme en nationalisme, die zich vermengden met het traditionele Joodse verlangen naar terugkeer naar “Zion” (Jeruzalem), zoals dit bijvoorbeeld in de Joodse gebeden tot uitdrukking komt. Bij de Sefardische Joodse gemeenschappen in Oost-Europa leefde dit verlangen het meest. Zij waren minder geassimileerd dan de Joden in West-Europa en hielden de Hebreeuwse taal en cultuur meer in ere. Zij werden ook het meest onderdrukt en namen al vroeg initiatieven om terug te keren naar Palestina. Het opkomende nationalisme in Europa leidde tot nieuwe vormen van antisemitisme (de term zelf stamt ook uit deze tijd), die minder religieus en meer politiek en sociaal geïnspireerd waren. De emancipatie en integratie van de Joden werd door antisemieten afgewezen, waardoor ook een aantal meer geassimileerde West-Europese Joden tot de conclusie kwam dat het Zionisme uiteindelijk de enige oplossing was voor de Joden.

Door de emancipatie uit de getto’s wendden sommige Joden zich af van de traditionele religie, en merkten dat zij zowel door de buitenwereld als binnen de eigen gemeenschap nog steeds als Jood werden beschouwd. Hoewel sommigen hierdoor makkelijker assimileerden of zich zelfs bekeerden, leidde dit ook tot een nieuw besef van identiteit, dat de religie oversteeg. Hoewel dit in het Bijbelse ‘Am Yisrael’ (het volk van Israël), de notie van Joden als volk impliciet besloten ligt, werd dit nu voor het eerst van de religie gescheiden. Ze waren echter een volk zonder land, overal te gast en nergens thuis. De Joods-Duitse socialist Moses Hess verwoordde deze ideeën voor het eerst expliciet in 1862 in zijn boek “Rom und Jerusalem”, en riep op tot het vormen van een Joodse nationale beweging.

Door het nieuwe antisemitisme groeide de notie dat het nooit mogelijk zou zijn om als minderheid volkomen geaccepteerd ter worden. De zionisten weten het antisemitisme dan ook niet aan het feit dat men zich niet genoeg aanpaste, maar aan de -in hun ogen- onnatuurlijke situatie dat de Joden als volk geen eigen land hadden, waardoor zij politiek machteloos waren. Met name de socialistisch georiënteerde Zionisten benadrukten het feit dat de Joden vanwege de vele beperkingen in het aankopen van land en uitoefenen van beroepen een onnatuurlijke bevolkingsopbouw hadden: zij waren oververtegenwoordigd in beroepen die met geld en handel te maken hadden, alsmede intellectuele beroepen. Pas als zij een normale bevolkingsopbouw kenden, met boeren en arbeiders, zouden zij ook een vrij volk kunnen worden. Met name de religieus georiënteerde Zionisten benadrukten de band die de Joden door de eeuwen heen met Palestina hadden gehad, vooral met Jeruzalem. De zogenaamde culturele zionisten legden de nadruk op herleving van taal en het bewaren van het eigen culturele erfgoed.

Joodse migranten van de eerste aliyah (bron)

De eerste zionisten trokken omstreeks 1880 naar Palestina (de eerste ‘Aliyah’) om er nederzettingen te stichten en land aan te kopen. Zowel in Palestina als daarbuiten werden allerlei groepen opgericht die zich met de practische kant van het opbouwen van een gemeenschap en een Joods thuis in Palestina bezighielden. Deze eerste zionistische nederzettingen hadden soms een wat koloniaal karakter, met plantages die door de Arabieren werden bewerkt. Zij waren lang niet allemaal succesvol, en circa de helft van de ongeveer 35.000 immigranten die tussen 1882 en 1903 naar Palestina kwam, vertrok na enige tijd gedesillusioneerd vanwege ziekte, armoede of werkloosheid. Veel van de gronden die de Zionisten konden aankopen werden geteisterd door ziekten als malaria. Onder Ottomaans bestuur was het antieke kanalensysteem verwaarloosd en hadden zich moerassen gevormd die een broedplaats vormden voor de malaria-mug. De Ottomaanse machthebbers waren niet erg enthousiast over het Zionisme, en maakten het de immigranten steeds moeilijker om aan land te komen en een bestaan op te bouwen.

In reactie op het antisemitische geweld dat in Rusland uitbrak schreef de Russisch-Joodse arts Leon Pinsker in 1882 het pamflet Autoemanzipation (Zelf-Emancipatie, lees Duitse of Engelse tekst), waarin hij de Joden opriep zichzelf te bevrijden door vestiging in een eigen land. Zijn ideeën vonden veel aanhang, en korte tijd later richtte Pinsker ‘Hovevei Tzyion’ in Rusland op, waarin vele kleine zionistische groepen werden verenigd. Pinsker probeerde zijn ideeen in eerste instantie te realiseren door de medewerking van machtige landen te verkrijgen, maar toen pogingen daartoe op niets uitliepen richtte hij zich op het concrete werk in Palestina. De Oostenrijkse journalist Nathan Birnbaum introduceerde in 1890 het woord ‘Zionisme’ in zijn tijdschrift met de titel Selbstemanzipation.

 

De Zionistische Beweging

In augustus 1897 werd de officiële Zionistische beweging opgericht door de Oostenrijkse journalist Theodor Herzl, nadat hij in 1896 zijn beroemde boek ‘Der Judenstaat‘ (The Jewish State) had geschreven. Hij was een geassimileerde Jood die aanvankelijk weinig met het Jodendom te maken wilde hebben, maar toen hij als journalist de Dreyfus-Affaire van dichtbij meemaakte, raakte hij overtuigd van de noodzaak van een eigen thuis voor de Joden.

Hiervoor had hij niet alleen Palestina in gedachten, alhoewel hier zijn voorkeur naar uitging: in principe voldeed ieder land waar de Joden veilig konden zijn. Op haar oprichtingscongres in Bazel koos de Zionistische beweging echter in ruime meerderheid voor Palestina als beoogd thuisland. Herzl wilde een Joods thuisland realiseren door -evenals Pinsker- hiervoor goedkeuring en medewerking te verkrijgen bij de wereldmachten. Hij lobbyde bij de Sultan van Turkije, de Duitse keizer en de Russische regering. Dit alles leidde tot niets. Hij stelde een Brits aanbod van Oeganda als thuisland voor als ‘tijdelijk noodonderkomen’, maar dit werd door het Zionistische congres afgewezen. Hij sprak zelfs met de Paus, maar die was tegen het Zionisme.

Terwijl de pogingen om belangrijke leiders voor het Zionisme te winnen faalden, groeide de Joodse bevolking in Palestina van ca. 25.000 in 1882 tot rond de 90.000 voor WWI. De Arabische bevolking groeide echter ook, van ca. 425.000 naar 600.000 in 1914.

Rond 1905 leidden met name de pogroms in Rusland tot een nieuwe golf van immigratie naar Palestina. Deze immigranten waren beïnvloed door het socialisme en hadden socialistische idealen, en benadrukten het belang van productieve arbeid voor de Joden. De ‘plantage-achtige’ nederzettingen van de eerste golf van immigranten was hun dan ook een doorn in het oog. Sommigen eisten dat deze mensen alleen nog Joden in dienst zouden nemen (dit wordt ook wel conquest of labor -Kibbush Haavoda- genoemd), wat echter op protest van anderen stuitte omdat het Arabieren zou discrimineren.

De Zionistische leider David Ben-Goerion zei in 1934 tegen Palestijns leider Musa Alami: “We do not want to create a situation like that which exists in South Africa, where the whites are the owners and rulers, and the blacks are the workers. If we do not do all kinds of work, easy and hard, skilled and unskilled, if we become merely landlords, then this will not be our homeland” (Shabtai Teveth, Ben-Gurion and the Palestinian Arabs: From Peace to War, London: Oxford University Press, 1985, p. 140).

Hoewel deze ‘conquest of labor’ tot woede onder de Arabieren leidde, ging het in totaal om niet meer dan een paar duizend mensen, en had het weinig invloed op de economische situatie van de Arabieren. Op de meeste plaatsen behielden zij hun baan.

Een grote verdienste van de socialistisch georiënteerde Zionisten was de Kibboetsbeweging. De eerste kibboets (collectieve boerderij) was Degania, in 1910 gebouwd aan de monding van de Jordaanrivier, en was eigenlijk slechts als tijdelijk gedacht. Het concept sloeg echter aan, en bleek socialistische idealen en praktische organisatie goed te combineren. Zij gingen een cruciale rol in de ontwikkeling van het land spelen, zowel wat betreft de bewerking van de grond als ook het leveren van politieke en militaire leiders. Ze speelden een grote rol in de verdediging van het land in 1948 en bleken een excellente plek om wapens voor de Britten te verbergen en in het geheim soldaten te trainen. 

Vrouwen van een kibboetz op weg naar hun werk (propagandafoto).

Ondertussen bleef de Zionistische beweging proberen om politieke steun voor haar project te krijgen, en in 1917 wist de beweging onder leiding van Chaim Weizmann, (die later de eerste president van Israël zou worden) van de Britten, die Palestina op de Ottomanen veroverden, een officiële toezegging los te krijgen, de zogenaamde Balfour Declaration uit 1917, waarin Groot-Brittannië zijn steun voor een Joods thuis (‘Jewish Homeland’) in Palestina uitsprak, echter zonder dat dit de rechten van de Arabische bevolking aldaar mocht schenden. Naast oprechte steun voor een Joods thuis, was dit ook ingegeven door machtspolitiek: Groot-Brittannië wilde Palestina graag hebben om strategische redenen (nabijheid van Suez Kanaal) en kon dit zo legitimeren. Daarnaast speelden, paradoxaal genoeg, antisemitische sentimenten een rol: men dichtte de Zionistische beweging en het internationale Jodendom veel macht toe en het was dus wel zo strategisch die aan zijn kant te hebben.

In 1922 kreeg Groot-Brittannië officiëel het Mandaat over Palestina toegewezen van de Volkerenbond, die de Balfour Declaration bekrachtigde. Dit mandaat omvatte niet alleen het huidige Israël en de bezette gebieden, maar ook geheel Jordanië. De Britten splitsten het mandaat echter al snel in twee aparte mandaatgebieden, en verboden Joodse immigratie naar Trans-Jordanië, dat in 1923 zijn onafhankelijkheid verkreeg.

Lord Balfour in 1925 met de burgemeester van Tel Aviv (bron: Wikipedia).

Onder Brits bestuur nam de immigratie verder toe, hoewel er onder het mandaat quota werden vastgesteld en immigranten een zeker kapitaal moesten bezitten om te worden toegelaten. Tussen 1917 en 1930 kwamen ca. 100.000 Joden, vooral uit Oost-Europa, naar Palestina. Vanaf de jaren ’30 kwamen ook veel Duitse Joden.

Zionisme en de Arabieren

In het begin van de 19e eeuw waren er ca. 250.000 Arabieren in Palestina, groeiend naar ca. 500.000 rond 1900 en ca. 1.200.000 in 1945. Zij voelden zich veelal verbonden met hun familieclan en de streek of stad waar zij woonden, en begonnen pas in het begin van de 20e eeuw nationale sentimenten te ontwikkelen, aanvankelijk in de vorm van Arabisch protest tegen de Ottomaanse machthebbers. In die tijd beschouwden de Arabieren in Palestina zichzelf vooral als Syrische Arabieren. Pas nadat Syrië als mandaatgebied aan Frankrijk werd toegewezen en het Britse mandaatgebied onder de naam Palestina werd gesticht om een joods thuisland te vestigen, ontwikkelde zich geleidelijk een Palestijns nationaal bewustzijn, dat sterk beinvloed werd door de bezorgdheid over en het verzet tegen de joodse immigratie naar het gebied (het Zionisme). [Voor Arabisch nationalisme in het algemeen zie op Wikipedia.]

In Westerse ogen was Palestina in de 19e eeuw een ‘land zonder volk’ zoals Lord Shaftesbury schreef (volk is hier gebruikt in de zin van ‘natie’, niet ‘bevolking’). De ideeën van vroege zionisten waren veelal utopisch van aard en men maakten zich geen zorgen over eventuele problemen met de Arabische bevolking. Men voorzag een land waar alles perfect georganiseerd zou zijn, en iedereen welvarend en gelijk was. Herzl’s boek Altneuland is een goed voorbeeld van deze utopische ideeën. Toch waren er ook toen al Zionisten die problemen voorzagen, zoals de schrijver Ahad Ha’am (Asher Ginsberg), die in 1891 schreef: “From abroad we are accustomed to believing that the Arabs are all desert savages, like donkeys, who neither see nor understand what goes on around them. But this is a big mistake… The Arabs, and especially those in the cities, understand our deeds and our desires in Eretz Israël, but they keep quiet and pretend not to understand, since they do not see our present activities as a threat to their future… However, if the time comes when the life of our people in Eretz Israel develops to the point of encroaching upon the native population, they will not easily yield their place.”

Na 1900 groeide het verzet  tegen de Zionisten in Palestina. Men was bang dat de Zionisten Palestina van de Arabieren af wilden pakken en hen zouden onteigenen en verdrijven. In zijn boek ‘Reveil de la nation Arab’ uit 1905, schreef Najib Azuri dat de Joden een staat in geheel Palestina inclusief delen van Syrië en Egypte wilden stichten: “Two important phenomena of the same nature but opposed, are emerging… They are the awakening of the Arab nation and the latent effort of the Jews to reconstitute on a very large scale the ancient kingdom of Israël. These movements are destined to fight each other continually until one of them wins.” (Uit: Mandel, Neville, The Arabs and Palestine, UCLA, 1976.)

Er begonnen zich conflicten voor te doen tussen Zionisten die land kochten van grootgrondbezitters en Arabische boeren die het land pachtten. Hoewel het, net als bij de ‘conquest of labor’ uiteindelijk maar om kleine groepen boeren en arbeiders ging (blijkens een onderzoek uit 1936 1% van de Palestijnse boerenfamilies) die op deze manier door de Zionisten werden benadeeld, bevestigde dit de angsten die men toch al had. Dergelijke conflicten leidden tot toenemende gewelddadige confrontaties tussen Zionisten en Arabische boeren. 

Door de Balfour verklaring en de toenemende joodse immigratie nam het verzet en het geweld verder toe. In 1920, 1921 en 1929 vonden bloedige opstanden plaats waarbij o.a. joodse wijken in Jeruzalem en de joodse gemeenschap in Hebron door woedende menigten werden aangevallen. Als reactie hierop legden de Britten joodse immigratie en landaankopen aan banden (‘Passfield White Paper‘), wat later, onder druk van de Zionisten, grotendeels werd teruggedraaid. Naast voornoemde zaken waren de rellen van 1929 ook ingegeven door valse geruchten dat de Joden hun verwoeste tempel op de Tempelberg wilde herbouwen ten koste van de Al Aqsa Moskee. De Joden reageerden op het Arabische geweld door een eigen zelfverdedigingsorganisatie, de Haganah, op te richten, die zich later zou ontwikkelen tot een ondergronds leger.

In de jaren ’20 zagen de meeste Zionisten de onvermijdelijkheid van conflict met de Arabieren in. In 1919 zei Ben-Goerion, leider van de joodse gemeenschap in Palestina: “But not everybody sees that there is no solution to this question. No solution! There is a gulf, and nothing can bridge it…. I do not know what Arab will agree that Palestine should belong to the Jews….We, as a nation, want this country to be ours; the Arabs, as a nation, want this country to be theirs.” (Benny Morris, Righteous Victims, 1999, P. 91)
Beide bevolkingsgroepen beschouwden zichzelf als slachtoffer van de (vermeende) macht en wreedheid van de ander. De militante leider Jabotinski schreef in 1918: “The matter is not … an issue between the Jewish people and the Arab inhabitants of Palestine, but between the Jewish people and the Arab people. The latter, numbering 25 million, has [territory equivalent to] half of Europe, while the Jewish people, numbering ten million and wandering the earth, hasn’t got a stone… Will the Arab people stand opposed? Will it resist? [Will it insist] that…they…shall have it [all] for ever and ever, while he who has nothing shall forever have nothing?” (Neil Caplan, Palestine Jewry and the Palestine Question 1917-1925, 1978)

Het Arabische verzet tegen het Zionisme was echter niet alleen door voornoemde angsten en conflicten ingegeven, maar ook door de traditionele blik op Joden als zwakke en tweederangs burgers. Dit vermengde zich vanaf de jaren ’20 met geïmporteerd westers antisemitisme.  Zo zei ex-burgemeester van Jeruzalem Musa Kazim El Husseini, die een actieve rol had in de rellen in 1920, in datzelfde jaar tegen Winston Churchill: “The Jews have been amongst the most active advocates of destruction in many lands… It is well known that the disintegration of Russia was wholly or in great part brought about by the Jews, and a large proportion of the defeat of Germany and Austria must also be put at their door.” (Benny Morris, Righteous Victims, 1999, P. 99)

Het mandaat voorzag in de oprichting van organen voor zelfbestuur in Palestina, waarin zowel Joden als Arabieren zouden deelnemen. De Joden zagen instituties met een Arabische meerderheid niet zitten; de Arabieren wilden helemaal niet in instituties participeren waarin ook Joden zaten. Er werden daardoor geen gemeenschappelijke instituties opgericht. De Arabieren wilden zo min mogelijk met het mandaat te maken hebben en ontwikkelden nauwelijks eigen instituties. De Joodse gemeenschap zette wel tal van instituties op, zoals eigen scholen, medische zorg, openbare werken, een vakbond etc. en ging steeds meer als een ‘staat in een staat’ functioneren.

In 1936 braken er opnieuw rellen uit, dit maal op zeer grote schaal, die werden geleid door de Mufti van Jeruzalem, Haj Amin Al Husseini en zijn clan, en hoogstwaarschijnlijk mede werden gefinancierd door fascistisch Italië. Behalve honderden Joden vermoordde de Mufti ook veel Arabische tegenstanders. De Britten reageerden dit keer zeer hard op de rellen, en de Irgun, een radikale guerrillagroep onder leiding van Jabotinski en later Menachem Begin, voerde bloedige wraakacties uit. De Mufti vluchtte naar Irak, waar hij in 1941 een mislukte couppoging tegen de Britten leidde, en vluchtte daarna naar Nazi-Duitsland, waar hij een enthousiaste promotor van de Jodenhaat was, onder andere via radio-toespraken. De Nazi’s lieten hem een speciale moslimdivisie van de Waffen-SS oprichten, die actief was in Joegoslavië en de meeste Bosnische Joden uitmoordde. Na de oorlog wist hij de Neurenberg processen te ontvluchten, en stelde hij de Britten voor om Hitlers ‘oplossing van het Joodse vraagstuk’ ook in Palestina toe te passen. In de burgeroorlog van 1947/1948 leidde hij een legertje dat Joodse gemeenschappen in Palestina aanviel.

De Mufti in Bosnië

Zionisme en de Britten

Gedurende het Mandaat kwamen de Zionisten en de Britten steeds meer tegenover elkaar te staan. De Britten zagen in dat hun steun aan het Joodse thuis hen in toenemende mate met de Arabieren in conflict bracht, en splitsten dan ook al snel een groot deel van het oorspronkelijke mandaatgebied af, dat de semi-autonome staat Trans-Jordanië werd (vanaf 1946 onafhankelijk en vanaf 1950 Jordanië geheten), en stelde na Arabische rellen telkens beperkende wetten in voor Joodse immigratie en landaankopen. Na de rellen van 1936 hadden deze een zeer restrictief karakter en bleven van kracht tot het vertrek van de Britten in 1948.

Deze Britse politiek leidde tot verdeeldheid onder de Zionisten. De meesten wilden de Britse machthebbers zoveel mogelijk te vriend houden en hun maatregelen verzachten door diplomatie. Een kleine groep, geleid door Jabotinski, stelde een hardere anti-Britse lijn voor en splitste zich af van de Zionistische beweging, om de revisionistische factie te vormen. Zij legde zich ook niet neer bij de afsplitsing van Trans-Jordanië en vond dat de Joden recht hadden op het oorspronkelijke Mandaatgebied.

Toen in 1942 berichten over de gruwelijkheden en massamoord van de nazi’s begonnen door te dringen, maar de poorten van Palestina gesloten bleven voor joodse immigranten, besloot ook de Zionistische beweging tot een hardere lijn. In mei 1942 eiste de Zionistische beweging in het Biltmore Programma onmiddelijke controle over de Joodse immigratie naar Palestina, en de oprichting na de oorlog van een Joodse staat in plaats van een Joods thuis onder Britse patronage, wat tot dan toe de officiële lijn was geweest. De Britten werden nu als een potentiële vijand beschouwd. Dit was een nederlaag voor Chaim Weiszmann en tevens voor de voorstanders van een bi-nationale staat. Als gevolg hiervan voegden de revisionisten zich weer bij de beweging, al bleven zij onafhankelijk opereren met een eigen ondergronds leger. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de Zionistische beweging nochtans met de Britten samenwerken, zowel uit noodzaak alsook omdat Churchill zinspeelde op het toekennen van onafhankelijkheid na de oorlog.

In 1944 vermoordde de Irgun een hooggeplaatste Britse functionaris, Lord Moyne (een fervent anti-Zionist die belast was met het uitvoeren van de White Paper), waardoor Churchill zich tegen de Zionisten keerde. De Haganah begon daarop een actieve campagne tegen de Irgun en leverde ca. 1000 terroristen uit aan de Britten, met name uit angst alle steun van hen en de wereldopinie te verliezen. Pas toen de Britten ook na de oorlog de poorten van Palestina gesloten hielden voor de overlevenden van de Holocaust, en verschillende schepen met illegale immigranten waren teruggestuurd, begon men samen met de revisionisten een soort guerillaoorlog tegen de Britse machthebbers in Palestina.

Posters om het Zionisme te promoten

De oprichting van Israël*

[* Deze paragraaf is identiek aan de gelijknamige paragraaf in "Geschiedenis van het Israëlisch-Arabische conflict"!]

In 1947 besloot Groot-Brittannië het mandaat terug te geven aan de VN, en stelde de VN een commissie in die een oplossing moest zoeken voor de toekomst van het gebied. Zij stelde deling voor in twee ongeveer even grote delen, en dit plan werd op 29 november aangenomen door de Algemene Vergadering. Jeruzalem zou onder internationaal toezicht komen. De Joden accepteerden het plan, maar de Arabieren verwierpen het, en dreigden met oorlog en de verdrijving van Joden uit Arabische landen. Direct nadat het plan was aangenomen braken er onlusten uit in Palestina, die uitmondden in een burgeroorlog. Aanvankelijk waren de Palestijnse Arabieren in de aanval en overvielen joodse konvooien en blokkeerden Jeruzalem, waar zo’n 100.000 Joden woonden, die gedurende meerdere maanden van de buitenwereld afgesloten werden. De mufti, Al Husseini, die tijdens de oorlog met de Nazi’s had gecollaboreerd en de Neurenberg processen was ontvlucht, leidde een legertje dat joodse gemeenschappen aanviel. Hij vertelde de Britten dat hij voor de Joden in Palestina dezelfde ‘oplossing’ voorzag als die van de Nazi’s in Europa. Na aanvankelijk in het defensief te zijn geweest, sloegen de Hagana en Irgun in april 1948 hard terug en veroverden verschillende Arabische dorpen, waarmee ze tijdelijk de blokkade van Jeruzalem wisten open te breken. Vanwege betere organisatie en inlichtingen behaalden zij een overtuigende overwinning op de Arabieren, die uitmondde in massale vlucht van de Palestijnse Arabieren en vernietiging van vele dorpen. Door beide kanten werden bloedige slachtpartijen aangericht,  zoals in Gush Etzion (door Arabieren) en Deir Yassin (door Joden van de Irgun). In totaal zijn tijdens de burgeroorlog en de daaropvolgende oorlog met de buurlanden circa 700.000 Palestijnse Arabieren weggevlucht of verdreven uit het gebied dat de staat Israël werd.

Op de dag dat de Britten officieel Palestina verlieten, 14 mei 1948, riep Israël de onafhankelijkheid uit. De nieuwe staat werd prompt aangevallen door Egypte, Jordanië, Irak en Syrië. Interne druk en de vrees dat de andere landen teveel invloed zouden krijgen speelde een rol bij het besluit aan te vallen, en hoewel zij officieel volgens een gemeenschappelijk plan vochten, wilden zij in feite allen zelf een zo groot mogelijk deel van Palestina veroveren.

Het Jordaanse leger was het sterkst, omdat het was getraind door de Britten en voor een deel onder het commando van Britse officieren stond. Jordanië had een geheime afspraak met zowel Groot-Brittannië als Israël dat het geen gebied zou aanvallen dat aan de Joden was toebedeeld. Aangezien Jeruzalem daar niet onder viel, werkte Jordanië mee aan de blokkade en trok haar leger de Oude Stad binnen, waar het de oude joodse wijk -verdedigd door de Hagana- na felle gevechten op 28 mei veroverde en etnisch zuiverde; de eeuwenoude, orthodox-Joodse gemeenschap van oost-Jeruzalem werd naar west-Jeruzalem geëvacueerd. De blokkade van west-Jeruzalem werd vanaf 11 juni door de Israëli’s omzeild via een sluiproute waarlangs de bevolking weer van voedsel en andere voorraden kon worden voorzien. Ook Syrië en met name Egypte boekten aanvankelijk succes. Hoewel zij op felle tegenstand stuitten, sneed Egypte de Negev woestijn af en rukte langs de kust op richting Tel Aviv.

Het aanvankelijke succes van de aanvallers veranderde na het eerste staakt-het-vuren op 11 juni. Tijdens dit staakt-het-vuren hergroepeerden de Israëli’s zich en trainden soldaten. Ook wisten ze clandestien wapens te bemachtigen (met name uit Tsjechoslowakije), en werden de Haganah, Irgun en andere ondergrondse legers samengevoegd tot de Israel Defence Force (IDF). Toen de Irgun zich hiernaar weigerde te voegen, werd een schip met wapens bestemd voor de Irgun (de Altalena) op 21 juni in opdracht van Ben-Goerion tot zinken gebracht. Op 8 juli vielen de Egyptenaren weer aan, maar vonden nu een beter georganiseerd en bewapend Israëlisch leger tegenover zich.

Egypte en Syrië werden uiteindelijk vernietigend verslagen. De IDF wist de kuststrook in het midden en de Negev woestijn in het zuiden te veroveren, alsmede het hele noorden van het land. Ook het Jordaanse leger werd teruggedrongen en een strook land richting west-Jeruzalem kwam onder Israël’s controle. Jordanië wist echter oost-Jeruzalem en de Westoever te behouden.  In 1949 sloten Israël en haar Arabische tegenstanders onder leiding van de VN overeenkomsten waarin wapenstilstandsgrenzen (de zogenaamde Groene Lijn) werden vastgesteld. Israël bezat nu 78% van het gebied ten westen van de Jordaan. De Arabische landen weigerden echter om Israël en dus deze grenzen te erkennen, en daarom hebben deze grenzen nooit wettelijke internationale erkenning gekregen. Vredesonderhandelingen kwamen dan ook niet van de grond, en bovendien weigerde Israël meer dan 100.000 Palestijnse vluchtelingen op te nemen, en eiste Egypte een stuk van de Negev woestijn in ruil voor vrede, wat voor Israël onbespreekbaar was. De Arabische staten begonnen zich met door de Sovjet-Unie geleverde wapens te bewapenen en stelden een boycot tegen Israël in, die door de meeste westerse bedrijven (op zijn minst gedeeltelijk) werd nageleefd, en tot in de jaren ’90 voortduurde.

Zionisme sedert de oprichting van Israël

Met de oprichting van -en het met succes verdedigen van- de staat Israël was het primaire doel van de Zionistische beweging bereikt. De staat kon na haar oprichting op brede steun van de joodse gemeenschappen in de diaspora rekenen, en werd door de meeste landen erkend en toegelaten tot de Verenigde Naties. Naast verzet van de Arabische en andere islamitische landen keerde zich echter ook het Sovjetblok al snel tegen Israël. Onder invloed van de toenmalige Egyptische president Nasser gingen een aantal nieuwe, na de dekolonisatie onafhankelijk geworden Afrikaanse landen, mee in de anti-Israël koers van de Arabische en communistische landen, waardoor er in de Algemene Vergadering van de VN een meerderheid kwam voor talloze anti-Israël resoluties. (De meest befaamde was de “Zionisme=racisme” resolutie uit 1975, die in 1991 werd herroepen.)

Dat en de voortdurende staat van vijandschap en boycots door de Arabische buurlanden maakte dat de steun voor het Zionisme vanuit de diaspora van groot belang bleef voor Israël.

Daarnaast bleef binnen het Zionisme een kleine stroming bestaan die vond dat de staat recht had op tenminste het mandaatgebied van na de afsplitsing van Jordanië (en volgens sommigen zelfs op de oostoever van de Jordaan), en zich dus niet wilde neerleggen bij de wapenstilstandsgrenzen van 1949. Deze stroming werd vooral vertegenwoordigd door de revisionisten van Menachem Begin, de voorlopers van de huidige Likoed partij, die in 1977 voor het eerst aan de macht kwamen, maar in 1967 ook deel uitmaakten van de regering van nationale eenheid. De verovering van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook in de Zesdaagse Oorlog had het nationalisme in Israël aangewakkerd. Bovendien zagen de orthodox-religieuzen, die voordien niet zoveel met het Zionisme op hadden, hierin de hand van God, en werden zij voorstanders van kolonisering van de bezette gebieden. Met name onder leiding van de diverse Likoed-regeringen werd een aktieve nederzettingenpolitiek gevoerd, ondanks verzet van linkse Israëli’s die waarschuwden dat de veroverde gebieden in een toekomstig vredesakkoord zouden moeten worden afgestaan. De kolonistenbeweging presenteerde zich als de ware erfgenaam van het Zionisme, en bracht daarmee veel schade toe aan de reputatie van het Zionisme.

[Enkele commentaren van linkse Zionisten: Not in My Name, The True Meaning of Zionism, Zionism and Peace - A Zionist Credo]


© Dit artikel is copyright Israël-Palestina Informatie, afgezien van onderdelen waarvoor andere bronnen worden vermeld. Voor overname gelieve kontakt met ons op te nemen via het e-mail adres. Beperkte citaten voorzien van een link naar deze webpagina zijn toegestaan.


Zie ook op deze website over Zionisme:

Enkele bronnen op internet over Zionisme:

Comments are closed.