De bezetting en de nederzettingen

De Palestijnse gebieden op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook die in 1967 door Israël werden bezet en de Joodse nederzettingen.

Laatste update 25-5-2013

Israël bezette na de Zesdaagse Oorlog in 1967 land dat – inclusief de Sinaï woestijn – meer dan 3 keer zo groot was dan het eigen grondoppervlak. De regering van nationale eenheid (die vanwege de oorlogsdreiging was gevormd) bood aan de Sinaï en de Golan terug te geven aan Egypte respectievelijk Syrië in ruil voor erkenning van Israël en vredesverdragen, wat deze afwezen. Israël wilde het herenigde Jeruzalem houden als hoofdstad, en was verdeeld over wat te doen met de Westelijke Jordaanoever.

Veel politici achtten die van groot militair-strategisch belang, om een nieuwe dreiging zoals men voor de Zesdaagse Oorlog ervoer, te vermijden. De revisionisten en rechts-religieuzen vonden dat de Westoever (tot de Jordaanse verovering Judea en Samaria geheten) bij Israël hoorde vanwege de historische en religieuze connecties van de Joden met dit gebied. Zij meenden dat het gebied al conform het mandaat van de Volkenbond aan Groot-Brittannië bij het Joodse thuisland had moeten komen, en beschouwden de afsplitsing van Trans-Jordanië in 1922 (iets waar de revisionisten het overigens toen ook al niet mee eens waren) als de Palestijnse staat. Anderen daarentegen vonden dat Israël bereid moest zijn ook de gehele Jordaanoever terug te geven aan de Arabieren in ruil voor vrede, en niet het recht had hier civiele nederzettingen te bouwen. Sommige politici wezen toen al op de problemen met de internationale gemeenschap die kolonisatie van (delen van) de Westoever zou opleveren, en de praktische en morele problemen van het regeren over bijna een miljoen vijandige Palestijnen. Het Allon plan van juli 1967 was een compromis dat voorzag in een deling van de Westoever, waarbij de strategische en dunbevolkte gebieden (vooral de Jordaanvallei en de zuidelijke woestijn) bij Israël zouden komen, en de dichtbevolkte gebieden aan Jordanië zouden worden teruggegeven. Jordanië wilde hier echter niets van weten.

Inhoud:
Verwante onderwerpen:
IDF soldiers with Palestinian villagers
Israëlische soldaat in discussie met de Palestijnse bevolking
 

De Westelijke Jordaanover en de Gazastrook

De Westelijke Jordaanoever (6.000 km2, exclusief Oost-Jeruzalem) en de Gazastrook (360 km2) vormen het hoofd-onderwerp van dit artikel. Deze gebieden waren in het VN-delingsplan van 1947 bestemd als onderdelen van een te vestigen Palestijns-Arabische staat. In de oorlog van 1948 was de Gazastrook door Egypte bezet en de Westoever door Jordanië. Beiden hadden in 1948 een ‘Palestijnse regering’ in het door hen bezette gebied geinstalleerd, die beiden echter geen lang leven waren beschoren. Jordanië annexeerde de Westoever officieel in 1950 (slechts door Groot-Brittanië erkend) en gaf de Palestijnen Jordaans staatsburgerschap, terwijl Egypte een militair bestuur over de Gazastrook behield. Toen in 1964 de PLO werd opgericht, had deze niet tot doelstelling deze gebieden te bevrijden, doch slechts het Palestijnse gebied waarop de staat Israël was gevestigd. Na 1967 werd het PLO-handvest aangepast en sprak van de bevrijding van ‘heel historisch Palestina’. Egypte deed met de Camp David akkoorden van 1978 en het vredesverdrag van 1979 met Israël, definitief afstand van de Gazastrook, nadat was afgesproken dat er multilaterale besprekingen zouden komen over zelfbestuur voor de Palestijnen. Zonder deelname van de PLO wilden de lokale Palestijnse onderhandelaars echter geen akkoord sluiten, terwijl de Israëlische regeringen van nationale eenheid tussen 1984 en 1990 verlamd werden door onenigheid tussen de coalitiepartners Likoed en Arbeiderspartij. Jordanië deed in 1988 afstand van de Westoever, toen de PLO vanuit Algiers formeel een Palestijnse staat uitriep.

In de jaren ’90 erkenden Israël en de PLO elkaar wederzijds en begonnen onderhandelingen over de Palestijnse gebieden. Israël wilde lange tijd niet verder gaan dan enige vorm van autonomie voor de Palestijnen, al dan niet in een confederatie met Jordanië (waarvan de bevolking grotendeels nauw verwant is aan de Palestijnen). Ook tijdens het Oslo-vredesproces werd het vestigen van een geheel onafhankelijke Palestijnse staat door veel Israëli’s afgewezen, vanwege het veiligheidsrisico voor Israël en wantrouwen tegen het Palestijnse leiderschap. Tevens waren er (ook internationaal) twijfels over de levensvatbaarheid van zo’n staat. Volgens de Oslo Akkoorden zouden uiterlijk vijf jaar na de ondertekening ‘final status’ onderhandelingen van start gaan, waarin de nederzettingen, grenzen, Jeruzalem etc. zouden worden besproken. Intussen zou steeds meer land onder Palestijns zelfbestuur komen, wat ook gebeurde, en zou zo het vertrouwen van beide kanten groeien, wat niet gebeurde. De onderhandelingen mislukten in 2000, en een golf van Palestijns geweld brak los, die het draagvlak in Israël voor vredesoverleg ondermijnde. Nieuwe serieuze besprekingen vonden pas weer plaats in 2007-2008 na de Annapolis conferentie, maar ook deze leidden niet tot resultaat.

De Palestijnse bevolking en de economie

Door het hoge geboortecijfer is de bevolking in de bezette gebieden sterk gegroeid. De Westelijke Jordaanoever telde in 1967 bijna 600.000 inwoners (meer dan 90% moslims en 5% christenen), wat 30 jaar later gegroeid was tot ruim 1.500.000. De Gazastrook telde in 1967 ruim 355.000 inwoners (waarvan bijna 99% moslims), 30 jaar later gegroeid tot bijna 1.000.000 inwoners. Daarnaast woonden in 1995 totaal 138.000 Joodse kolonisten in de Palestijnse gebieden (afgezien van Oost-Jeruzalem), in 2009 verdubbeld tot 280.000.

De Israëli’s vestigden een militair bestuur en traden met harde hand op tegen verzet. Tot aan de eerste Intifada was het beleid desondanks relatief liberaal. De Jordaanse en Egyptische bestuursinstellingen (inclusief personeel) en wetten werden zover mogelijk gehandhaafd door Israël, en in de jaren ’70 vonden burgemeestersverkiezingen plaats. Onder de Israëlische bezetting kenden de Palestijnse gebieden aanvankelijk een grote economische groei, vanwege de economische integratie met Israël en de economische groei in de hele regio vanwege hogere olie-opbrengsten. Mede vanwege de hoge bevolkingsgroei, waarmee de groei van de werkgelegenheid geen gelijke tred kon houden, gingen veel Palestijnen werken in Israël (meer dan 30% van de beroepsbevolking) of als gastarbeider in de Golfstaten. De economische groei nam af met de economische recessie in de jaren ’80, daarna door de eerste Intifada en de maatregelen die Israël daartegen nam, en tenslotte door de Palestijnse steun aan Irak tijdens de Golfcrisis, waardoor veel Arabische landen de financiële steun aan de Palestijnen staakten en gastarbeiders naar huis stuurden. Buiten de landbouw en gastarbeid werkten de Palestijnen ook in (meestal kleine) eigen bedrijven in de bezette gebieden, hoofdzakelijk voor de eigen markt. Tot de Intifada werd er behalve met Israël vooral met Jordanië handel gedreven, door de relatief open grenzen. De Palestijnen kampten echter toen al met een groot handelstekort. Het aantal Palestijnse huishoudens met electriciteit steeg van 30% in 1970 tot 90% in 1991, waarbij de meerderheid ook de beschikking kreeg over een koelkast, wasmachine en tv.

Onder Israëlisch bestuur werden in de bezette gebieden naast scholen en ziekenhuizen ook 7 universiteiten opgericht, waarop bijna 2% van de Palestijnen een academische graad haalde. Tijdens de Intifada liet Israël deze universiteiten tijdelijk sluiten. Met een analfabetisme van 40% in 1991 staken de Palestijnen gunstig af tegenover Egypte, maar Jordanië kende toen slechts 20% analfabetisme (cijfers volgens website CIDI). In het Human Development Report 2005 van de VN staan de Palestijnse gebieden op een relatief gunstige 7de plaats van 103 ontwikkelingslanden, met een analfabetisme van 9.1% in 2003 (lager dan Jordanië, terwijl Egypte nog steeds boven de 40% zat). De Human Development Index van 2006 vermeldt nog 7,6% analfabetisme boven de 14 jaar (iets meer dan Jordanië). Met een levensverwachting van 73,1 jaar scoren de Palestijnse gebieden hetzelfde als Hongarije. In een lijst van 179 landen staan ze in 2006 qua ontwikkeling op de 106de plaats, achter Jordanië, Tunesië en Syrië, maar voor Egypte en Marokko.

Vooral sinds de jaren ’90 hebben de Palestijnen miljarden aan financiële steun ontvangen van met name Europa en de VS om staatsinstituties en een betere economische basis op te bouwen. De Palestijnse Autoriteit heeft een deel van dit geld echter misbruikt voor haar eigen politieke doeleinden. (Zie ook het lange essay “In a Ruined Country – How Yasir Arafat destroyed Palestine”.) Israëlische acties tegen de Palestijnse terreur hebben veel van de opgebouwde structuren in de jaren na Oslo weer vernield. Verder heeft Israël anti-terreur maatregelen ingesteld zoals een netwerk van checkpoints binnen de Westoever, rond de nederzettingen, langs de Groene Lijn en rond Jeruzalem, die het Palestijnse sociale en economische leven aanzienlijk beperkt hebben. De regering Olmert heeft deze maatregelen deels versoepeld en teruggeschroeft, terwijl de checkpoints (vaste en mobiele) onder Netanjahoe weer zijn toegenomen. In 2010 was er volgens Betselem sprake van 37 vaste checkpoints bij de ‘grens’ met Israël en Jeruzalem, 18 in Hebron, en 44 op andere plekken binnen de Westoever. Daarnaast zijn er enkele honderen weg-obstakels en mobiele checkpoints die het verkeer belemmeren, en de omstreden afscheidingsbarriere.

Tenslotte verblijft een aanzienlijk deel (in de Gazastrook zelfs de meerderheid) van de Palestijnen in vluchtelingenkampen, waar ze al decennialang door de UNRWA worden ondersteund. Deze ‘kampen’ bestaan sedert de jaren ’50 niet meer uit tenten maar uit goedkope betonnen woonwijken die niet van de omliggende Palestijnse woningen te onderscheiden zijn. Ze zijn vaak overbevolkt en waren nooit bedoeld voor permanente huisvesting, maar hervestiging buiten de kampen wordt tegengehouden omdat volgens de PLO en andere Palestijnse organisaties alle vluchtelingen en hun (inmiddels miljoenen) nakomelingen moeten kunnen terugkeren naar Israël. UNRWA levert voedsel, onderwijs, medische en sociale voorzieningen voor de vluchtelingen. Het personeel van UNRWA bestaat vrijwel geheel uit Palestijnen. Met meer dan 8.000 medewerkers is de zij de grootste werkgever in de Gazastrook, en groter dan de hele UNHCR. (Haar budget is met circa 1,2 miljard dollar eenderde van het UNHCR budget.) Zie over UNRWA in Gaza ook het interview met John Ging.

De eerste Joodse kolonies

De overwinning in de Zesdaagse Oorlog had ongekende gevoelens van nationalisme losgemaakt onder de Israëli’s, en de religieus georiënteerden zagen hierin de directe hand van God, die de ‘kinderen Israëls’ had teruggevoerd naar hun oorspronkelijke land. De resolute afwijzing van de Arabische landen om met Israël te onderhandelen en vrede te sluiten, zoals verwoord op de Kartoem-conferentie op 1 september 1967, versterkte de nationalistische beweging in Israël, die ijverde voor Joodse vestiging in de veroverde gebieden, om deze later te kunnen annexeren.

De eerste nederzettingen werden in 1967 en 1968 gebouwd op plaatsen waar voor 1948 ook Joden hadden gewoond, die hier met geweld waren verdreven, zoals in Oost-Jeruzalem (in 1967 meteen geannexeerd), Gush Etzion en Hebron. Daarna volgden nederzettingen (aanvankelijk in de vorm van militaire bases, maar met een steeds groter civiel aandeel) in de nauwelijks door Arabieren bewoonde Jordaanvallei, waarvan de regering conform het Allon plan had besloten dat die om militair-strategische redenen in Israëlische handen moest blijven. Ook op de op Syrië veroverde Golan hoogvlakte (in 1981 geannexeerd) werden al in 1967 nederzettingen gebouwd. In 1970 volgde de eerste nederzetting in de Gazastrook. De stichting van nederzettingen werd door de regering gesteund in o.a. de Jordaanvallei, waar ze een strategische functie hadden nabij militaire bases. Nederzettingen in de dichtbevolkte Palestijnse gebieden werden verboden, zowel om spanningen met de Palestijnen te voorkomen alsook omdat men dit gebied in een toekomstig vredesverdrag aan de Arabieren wilde kunnen teruggeven. De nederzettingenbeweging, Gush Emoniem (‘Blok der Getrouwen’), legde zich niet bij deze beperkingen neer, en hanteerde een agressieve strategie om ook hier nederzettingen te stichten. Dit gebeurde het eerst in Hebron, waar eeuwenlang een joodse gemeenschap had geleefd, en later in Sebastia bij Nabloes. Men vestigde zich er illegaal, maar kreeg doorgaans stroom en andere faciliteiten door de steun van sympathiserende ambtenaren of politici.

De regering wist niet goed wat te doen: het lag gevoelig om Joden het recht te ontzeggen zich in voor hen historisch gezien zo belangrijk gebied te vestigen, laat staan geweld tegen de eigen bevolking te gebruiken. In Hebron stemde zij dan ook met tegenzin toe in hun aanwezigheid, maar de regering Rabin heeft in 1974, nadat onderhandelingen met de kolonisten mislukten, meermaals de illegale nederzetting bij Sebastia ontruimd. De beelden van het leger dat ideologisch bevlogen en ongewapende kolonisten wegvoerde, vergrootte de sympathie voor de kolonisten, en uiteindelijk stemde de regering toe in hun ‘tijdelijke verblijf’ aldaar. De sfeer van crisis na de Yom Kippoer oorlog en het groeiende internationale isolement versterkte rechts en de nederzettingenbeweging in Israël; veel Afrikaanse landen hadden de banden verbroken, de PLO kreeg in 1974 waarnemerstatus bij de VN, waar Arafat een toespraak hield voor de algemene vergadering, en in 1975 werd de ‘Zionisme=racisme’ resolutie aangenomen door de VN. Mede als reactie hierop won rechts in Israël in 1977 voor het eerst de verkiezingen.

Nederzettingen onder de Likoed regering

In 1977, toen de rechtse Likoed aan de macht kwam, leefden circa 11.000 Israëli’s in 80 nederzettingen, met name in de Westelijke Jordaanoever, maar ook in de Gazastrook, de Golanhoogte en de Sinaï-woestijn. In Oost-Jeruzalem hadden zich inmiddels 40.000 Joodse Israëli’s gevestigd. De Likoed-regering gaf actieve steun aan de nederzettingenbeweging en begon met het gesubsidieerde bebouwen van de dichtbevolkte delen van de Westoever, waardoor de Palestijnen steeds meer in de knel kwamen te zitten. Ook werden grote nederzettingenblokken gebouwd dicht bij de Groene Lijn, de pre-1967 grens.

De meeste nederzettingen werden gebouwd op grond die eerder op militaire gronden tijdelijk was geconfisceerd om veiligheidsredenen en waar aanvankelijk militaire bases waren geweest. Na een uitspraak in 1979 van het Israëlische Hooggerechtshof besloot de regering Begin alleen nog op grond in staatseigendom nederzettingen te bouwen, maar nochtans kwam deze praktijk nog jaren later voor. Volgens een in februari 2008 bekendgemaakt rapport was een derde van de nederzettingen, met tienduizenden inwoners, op grond gebouwd die voorheen Palestijns privé-bezit was.

Mensen werden naar de nederzettingenblokken gelokt door de huizen onder zeer gunstige voorwaarden aan te bieden. In de jaren ’80 en ’90 gingen dan ook steeds meer mensen in de bezette gebieden wonen, niet uit ideologische gronden maar omdat ze daar goedkoop aan een mooie woning in het groen konden komen, terwijl er in de Israëlische steden woningnood was. Ook een deel van de nieuwe immigranten kwam in de nederzettingen terecht. Ariel Sharon was als Likoed-minister van landbouw (1977-1981) een belangrijke promotor van de nederzettingen, en werd als patroon van de kolonistenbeweging gezien. De regering bouwde, onder zware internationale druk, geen nieuwe nederzettingen tijdens de onderhandelingen met Egypte.


In blauw: Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever (bron: ARIJ).
Voor gedetailleerde kaart van de Joodse nederzettingen zie pdf-kaart van Betselem 2002.

Nederzettingen vanaf Oslo

Tijdens het Oslo vredesproces in de jaren ’90 kondigde premier Rabin een bouwstop af voor de nederzettingen, afgezien van de grote blokken in en om Jeruzalem, die men bij Israël wou houden. Nadat Rabin in 1995 was vermoord werden de nederzettingen onder Peres en Netanyahu weer verder uitgebreid. Premier Barak wilde in 1999-2000 tijdens de onderhandelingen met de Palestijnen ook tenminste de grote blokken houden en ruilen voor andere grond, maar stemde ermee in om de vooral kleinere nederzettingen die dieper in Palestijns gebied lagen te ontruimen. Die onderhandelingen mislukten, en de nederzettingenpolitiek ging door. In 2004 was het aantal Joodse kolonisten (buiten Jeruzalem) verdubbeld ten opzichte van 1993, tot ongeveer 242.000; in 2009 waren het er 280.000 (en circa 190.000 in Jeruzalem).

In augustus 2005 trok Israël zich onder leiding van premier Sharon terug uit de Gazastrook en liet de nederzettingen daar en een paar kleintjes op de Westoever ontruimen. Sharon ontkende dat er verdere ontruimingen in het verschiet lagen, maar zijn opvolger Ehud Olmert stelde bij de verkiezingen van maart 2006 duidelijk verdere eenzijdige ontruimingen op de Westoever in het vooruitzicht. De regering leek bereid om de route van de in aanbouw zijnde afscheidingsbarriere als provisorische grens van Israël te gaan hanteren. De ontwikkelingen in de Gazastrook en de oorlog in Libanon in de zomer van 2006, leidden er echter toe dan deze plannen in de ijskast werden gezet. De route van de barriere, die meermaals werd bijgesteld, zou nog 7 tot 8% van de Westoever aan Israëls kant voegen, wat naar voorstellen van Israël grotendeels geruild zou worden met land elders.

Critici van Israël stelden dat de ontruiming van Gaza niets voorstelde, omdat Israël die ontruimingen alleen uit eigenbelang deed, omdat de VS ze onder druk zette en omdat het beschermen van die nederzettingen erg duur was. Dat klopt op zich wel, maar daarmee ontkennen ze toch het belang ervan, namelijk dat Israël daarmee wel definitief de claim op die gebieden opgaf. Voor het eerst werden, ondanks felle protesten van de kolonistenbeweging, Joodse nederzettingen in het historische land van Israël ontruimd, en de meeste Israëli’s vonden het best. De ontruiming verliep zonder grote ongeregeldheden en een burgeroorlog bleef uit. Dit was een gevoelige nederlaag voor de kolonisten, en een overwinning voor de gematigden die niet willen vasthouden aan ‘Groter Israël’. De kolonisten wisten nu dat zij niet meer automatisch op de steun van de Israëlische bevolking en politiek konden rekenen. De ontruiming van de Gazastrook was een belangrijke trendbreuk.

Vooral rechtse Israëli’s hebben kritiek op de ontruimingen: sommigen vinden dat het hele gebied bij Israël hoort en niets mag worden opgegeven, anderen vinden dat ze de Palestijnen daarmee iets kado doen zonder er iets (namelijk vrede of veiligheid) voor terug te krijgen. Die laatste kritiek wordt ook wel door linkse Israëli’s geuit, die vinden dat de ontruiming in samenwerking met de Palestijnen had moeten gebeuren, waarmee Israël Abbas en de gematigde krachten had kunnen ondersteunen. Negatieve sentimenten bij de nederzettingenbeweging werden mede gevoed doordat het lang duurde om voor de ontruimde kolonisten, die deels bijeen wilden blijven en deels naar nederzettingen op de Westoever wilden, geschikte alternatieve woonruimte te vinden. De navolgende verkiezingsoverwinning van Hamas, de coup in Gaza en de aanhoudende raketbeschietingen vanuit de strook hadden mede tot gevolg dat er geen draagvlak meer is voor verder unilaterale ontruimingen.

Sinds 1996 worden er officieel geen nieuwe nederzettingen meer gebouwd, maar er zijn desondanks meer dan 100 zogenaamde ‘buitenposten’ verrezen op de Westoever, meestal bestaande uit enkele tot tientallen woonwagens. Een groot deel hiervan is ook volgens de Israëlische wet illegaal. Na de terugtrekking uit de Gazastrook zijn er buiten Oost-Jeruzalem nog 121 officiële Joodse nederzettingen met circa 300.000 inwoners in de Palestijnse gebieden. In totaal wonen er naar schatting ruim 500.000 Joden op de Westoever, waarvan 193.000 in Oost-Jeruzalem, in wijken die Israël beslist wil houden en officieel heeft geannexeerd. Van de overigen wonen de meesten in de grote blokken rond Jeruzalem, die Israël waarschijnlijk ook niet zal afstaan (maar mogelijk wel ruilt tegen ander gebied). Eén van de meest problematische nederzettingen is het in 1978 gestichte Ariël, met 18.000 inwoners de grootste nederzetting die midden op de Westoever ligt. 

De regering Olmert, die eind 2008 (voor het eerst sinds 2001) weer met de PA ging onderhandelen, gaf onder verantwoordelijkheid van minister Barak van de Arbeidspartij weinig bouwvergunningen af, tot groot ongenoegen van de inwoners van de nederzettingen. De in januari 2009 aangetreden Amerikaanse president Obama maakte een complete bouwstop in de nederzettingen tot een belangrijke eis aan de Israëli’s, een eis die door de PA van Abbas werd overgenomen als voorwaarde om de onderhandelingen weer te hervatten na de Gaza Oorlog. In november 2009 kondigde premier Netanjahoe onder Amerikaanse druk een bouwstop af van 10 maanden voor de nederzettingen (met uitzondering van projecten waarvan de bouw al begonnen was). Formeel goldt deze niet voor Oost-Jeruzalem, maar in de praktijk werd ook hier nauwelijks nog gebouwd. Pas in september 2010, kort voor het aflopen van de bouwstop, was Abbas bereid weer naar de onderhandelingstafel terug te keren, maar stelde direct een verlenging van de bouwstop als eis, en brak de onderhandelingen af toen Netanyahu hieraan weigerde te voldoen. Nadien zijn nog enkele bouwplannen van ruim 1.000 woningen aangekondigd in vooral Ramat Shlomo en Gilo, over de groene lijn. Als motivatie gaf de regering de steeds nijpender woningnood in Jeruzalem.

Juridische discussies en status

Volgens de Verenigde Naties en een groot deel van de internationale gemeenschap zijn de Joodse nederzettingen op de Westoever allemaal illegaal, inclusief de Joodse wijken van Oost-Jeruzalem en plaatsen waar voor 1948 al Joden woonden die destijds werden verdreven, zoals Hebron en Gush Etzion. Israël en enkele organisaties en juristen bestrijden dit. Zij wijzen erop dat de Geneefse Conventie, die daartoe vaak wordt aangehaald, doelde op het gedwongen verplaatsen van de eigen bevolking naar bezet gebied, zoals de nazi’s in WOII hadden gedaan met de Joden. Zij vinden het cynisch dat een document dat met het oog op de misdaden van de nazi’s is gemaakt nu tegen Joden wordt gebruikt die naar hun ‘historische thuisland’ willen terugkeren. Daarnaast wijzen zij erop dat onder het Britse mandaat voor Palestina, dat door de Volkenbond werd toegewezen, het hele gebied open stond voor Joodse vestiging, dus ook de Westelijke Jordaanoever. Dat is waar, maar na het mandaat kwam de delingsresolutie (weliswaar afgewezen door de Arabieren binnen en buiten Palestina) en daarna volgden VN Veiligheidsraadresolutie 242 (uit 1967) die Israël oproept bezette gebieden te verlaten en tot onderhandelingen en wederzijdse erkenning binnen veilige grenzen. Daarna volgden nog verschillende VN Veiligheidsraad resoluties waarin de nederzettingen werden afgekeurd, en ook werd opgeroepen tot een tweestatenoplossing. De door de Veiligheidsraad aangenomenRoutekaart” vereist eveneens een stopzetting van de nederzetting activiteiten.

Israël wijst er voorts op dat het geen bezet gebied maar betwist gebied betreft, omdat onduidelijk is van wie de Westoever ‘eigenlijk’ is. Israël veroverde het gebied op Jordanië, maar dat had het zelf illegaal geannexeerd en er bovendien afstand van gedaan ten gunste van de PLO. De PLO is echter geen staat en de Palestijnen hebben het gebied nooit in hun bezit gehad. Juridisch gezien is de status dus onduidelijk en daarom moet die in onderhandelingen worden vastgesteld. Omdat zowel Israël als de Palestijnen er aanspraak op maken, hebben beide zolang er geen onderhandeld akkoord is bereikt, het recht er te bouwen en zich te vestigen, aldus Israël. Men wijst er voorts op dat de Oslo Akkoorden dit nooit hebben uitgesloten, en de nederzettingen daar dus niet mee in tegenspraak zijn. Probleem met deze visie is dat VN Veiligheidsraadresoluties de Palestijnse aanspraak wel degelijk hebben erkend, ook al hebben zij het gebied nooit in bezit gehad. Daar staat echter wel erkenning van Israël en een onderhandeld vredesakkoord tegenover, en zo lang die er niet zijn is de bezetting (maar niet per se de nederzettingen) legaal.

Sinds de Oslo Akkoorden zijn de Palestijnse gebieden nog slechts ten dele bezet geweest, hoewel ze ook niet volledig soeverein zijn. In de Gazastrook en een deel (vooral de stedelijke gebieden) van de Westoever werd in 1994 de Palestijnse Autoriteit opgericht, die hier autonomie kreeg, in fasen door Israël overgedragen. De Westoever werd hiertoe ingedeeld in A, B en C-gebieden, waarbij de PA in de A-gebieden volledig gezag kreeg en in de B-gebieden het civiele gezag. Tijdens de Tweede Intifada werden de gebieden door Israël herbezet, en onder de regering Olmert werden de meeste steden weer aan de PA overgedragen, nadat in 2005 de Gazastrook geheel werd ontruimd door Israël, en Hamas hier in juni 2007 met geweld de macht greep. Hoewel sommigen dit betwisten, voldoen de Gazastrook en delen van de Westoever niet aan de criteria* van de Haagse Conventie van 1949 voor een militaire bezetting.

* “Territory is considered occupied when it is actually placed under the authority of the hostile army. The occupation extends only to the territory where such authority has been established and can be exercised.”

De kolonisten en de Palestijnen

De eerste kolonisten werden gedreven door ideologische en religieuze motieven om zich te vestigen op de Westoever, dat het kerngebied vormt van de Joodse geschiedenis en religie; zij voelen zich sterk verbonden met het land, waar veel voor Joden heilige plaatsen liggen die al in het Oude Testament genoemd werden, waaronder de graven van de aartsvaders en -moeders van Israël. Onder PA bestuur werden sommige van deze plekken vernield, vooral tijdens de Tweede Intifada. Ook zien zij de nederzettingen als buffer tegen de Palestijnse en Arabische agressie.

Een grote meerderheid van de kolonisten heeft zich echter op praktische en financiële gronden op de Westoever gevestigd (er waren lange tijd gunstige financiële regelingen voor kolonisten). Zij zouden indien er een vredesakkoord zou liggen dat door Israël is getekend, bereid zijn te verhuizen als men compensatie krijgt. Dit wordt vaak gebruikt als argument tegen het idee dat de nederzettingen obstakels voor vrede zijn. In hoeverre zij dat zijn hangt natuurlijk ook af van de ligging: een nieuwe buitenpost diep op de Westoever is iets anders dan een appartementencomplex in het centrum van een wijk in Oost-Jeruzalem. En van hoe de bewoners zich gedragen: radikale kolonisten die Palestijnen aanvallen en zo het vuurtje steeds weer opstoken zijn niet te vergelijken met de meerderheid die vreedzaam leeft en soms ook met Palestijnen samenwerkt.

Sinds de eerste Intifada zijn enkele honderden Israëlische kolonisten omgekomen bij Palestijnse aanvallen (de meeste doden vielen bij aanslagen binnen Israël). Duizenden Palestijnen kwamen om bij acties van het Israëlische leger, waarbij het aantal burgers tegenover het aantal ‘strijders’ sterk omstreden is, en soms moeilijk te bepalen. Meer dan 2.000 Palestijnen kwamen ook om door intern Palestijns geweld. Ruim 160 Palestijnen zijn door kolonisten gedood. Naar schatting enkele honderden kolonisten, veelal jonge mannen, plegen met name de laatste jaren geweld en vandalisme tegen de Palestijnse bevolking, waaronder het vernielen van olijfbomen, het gooien van stenen (zelfs naar schoolkinderen) en vernielingen aan huizen. De Israëlische autoriteiten wordt verweten hier te weinig tegen op te treden en de daders (indien opgespoord) te licht te straffen. Vooral enkele radikale ideologische nederzettingen zoals die in Hebron zijn hierom berucht.

Terwijl Palestijnen zeggen dat kolonisten hun land, water en grondstoffen stelen, wijzen kolonisten erop dat zij werkgelegenheid brengen en welvaart door samenwerkingsprojecten met lokale Palestijnen. Door de machts- en welvaartsverschillen hebben die echter vaak een ongelijke niveau (dat soms doet denken aan koloniale tijden). Volgens de Israëli’s zijn het de Palestijnen die water stelen door dit illegaal af te tappen, en krijgen zij al meer geleverd dan volgens de gemaakte afspraken in de Oslo Akkoorden. Er zijn over en weer beschuldigingen van pesterijen, geweld en vernielingen aan landbouwvelden. Tussen sommige Palestijnse dorpen en naburige Israëlische nederzettingen heerst een jarenlange strijd om het land, die deels via de Israëlische rechtbanken en deels ‘op de grond’ wordt uitgevochten. Het is soms een welles-nietes spel waarvan maar moeilijk is te achterhalen wie wanneer gelijk heeft. Media en mensenrechtenorganisaties nemen vaak de claims van Palestijnse zijde als waarheid aan zonder deze kritisch en onafhankelijk te onderzoeken.

Zie ook: Enkele cijfers over Israëlische nederzettingen anno 2010 en The lsraeli settlements. An evaluation of land usage by West Bank Settlements and EU positions on the issue (CIDI)


© Dit artikel is copyright Israël-Palestina Informatie, afgezien van onderdelen waarvoor andere bronnen worden vermeld. Voor overname gelieve kontakt met ons op te nemen via het e-mail adres. Beperkte citaten voorzien van een link naar deze webpagina zijn toegestaan.


Meer over de Palestijnse gebieden en de nederzettingen

Berichten op de Nieuwsblog:
Engelstalige artikelen over de nederzettingen op deze website:
Engelstalige informatie over de nederzettingen op andere websites:
Nederlandstalige informatie over de bezetting op andere websites:

Comments are closed.