Israël, Palestina en etnische zuiveringen

Laatste update 3-2-2012

In discussies over Israël op internet wordt binnen de kortste keren een van beide partijen voor nazi’s uitgemaakt (meestal de Israëli’s) en van nazi-praktijken beschuldigd. Ook de begrippen ‘etnische zuivering’ en ‘genocide’ vallen veelvuldig. Wat is er waar van deze beschuldigingen? En waarom worden ze zo veelvuldig gebruikt?

A. Etnische zuiveringen en de ‘nazi-connectie’

B. Aantijgingen van etnische zuiveringen in de geschiedenis van het conflict
    1. Het Britse mandaatgebied Palestina 1917-1948
    2. De Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog in 1948
    3. Israëlisch beleid tegenover de Arabieren in Israël vanaf 1948
    4. De bezetting en de Palestijnen op de Westoever en Gazastrook vanaf 1967


Etnische zuiveringen en de ‘nazi-connectie’

Volgens sommigen is Israël tot stand gekomen middels massale en systematische verdrijving van Arabieren, en hebben de zionisten het land etnisch gezuiverd voor of ten tijde van de uitroeping van de Joodse staat. Het zou hierbij om een bewust en vooropgezet plan gaan, niet om iets dat spontaan gebeurde in het heetst van de strijd. De zionisten zouden vanaf het begin hebben gestreefd naar een zo etnisch zuiver mogelijke Joodse staat, oftewel zoveel mogelijk land met zo min mogelijk Arabieren. Volgens deze mensen is dat de reden dat Israël de Arabische vluchtelingen niet wilde laten terugkeren, en is Israël sinds de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook erop uit om ook daar zoveel mogelijk Palestijnen aan te sporen te vertrekken, door landconfiscaties, geen vergunningen te verlenen, hun huizen af te breken en talloze pesterijen en vernederingen. De bouw van de nederzettingen zou tot doel hebben de Palestijnen op een steeds kleiner stuk land te dringen om ze uiteindelijk geheel te verdrijven. Israël zou bovendien de Arabieren uit Jeruzalem weren om hier een zuiver Joodse stad van te maken.

Dergelijke ideeën worden door een toenemend aantal mensen verwoord, niet alleen in radikaal antizionistische kringen, maar door allerlei vredes- en ontwikkelingsorganisaties en zogenaamde deskundigen, alsook door een reeks journalisten, politici en commentatoren. In discussies over Israël in de media of op internet wordt dit veelvuldig beweerd, waarbij Israël vaak ook met de nazi’s wordt vergeleken en haar bestaansrecht ontkend. Sommigen gaan zelfs zover te beweren dat Israël eigenlijk de Bijbelse grenzen van de Nijl tot de Eufraat nastreeft, en dat al haar oorlogen daarom expansionistisch van aard waren en de Arabieren slechts uit zelfverdediging handelden.

Al dergelijke beweringen worden niet door de feiten gestaafd; integendeel. De Arabische bevolking in Palestina/Israël is in de 20ste eeuw ongeveer vertienvoudigd:

Rond 1900:  400 of 500 duizend
Jaren ’30:     800 tot 900 duizend
1944-1946:   ruim 1, 2 miljoen
1950:              ruim 1 miljoen, waarvan 160 duizend in Israël (de meeste Arabische vluchtelingen bleven binnen het vroegere mandaatgebied)
1970:              1 miljoen, waarvan ongeveer 450 duizend in Israël incl. Oost-Jeruzalem (afname vanwege vlucht tijdens Zesdaagse Oorlog, onduidelijk is hoeveel van die vluchtelingen later zijn teruggekeerd)
1980:              ruim 2 miljoen, waarvan bijna 700 duizend in Israël
1995:              3,5 miljoen, waarvan 1 miljoen in Israël
2004:             3,7 tot ruim 5 miljoen, waarvan 1,3 miljoen in Israël
(telling 2004) en 2,4 tot 3,8 miljoen op de Westoever, in Oost-Jerualem en de Gazastrook (volgens de PA 3,8 miljoen maar volgens Amerikaans onderzoek slechts 2,4 miljoen).

Deze bevolkingstoename is niet in weerwil van Israëlische pogingen, maar was daar vaak een direct gevolg van. Zionistische (en Britse) investeringen trokken in de jaren ’20 en ’30 Arabische arbeiders uit de omliggende landen aan. Door betere voorzieningen nam de levensstandaard toe. En na de bezetting van de Westoever en Gaza bouwde Israël daar gezondheidsklinieken, scholen en zelfs universiteiten, als onderdeel van een beleid dat erop gericht was de fricties met de Palestijnen zo laag mogelijk te houden door een ‘humane bezetting’. Wat je daar ook van mag denken, feit is dat daardoor de gemiddelde leeftijd en het opleidingsniveau van Palestijnen hoger waren dan in de omringende landen, en bijvoorbeeld de kindersterfte en analfabetisme lager. In het Human Development Report 2005 van de VN stonden de Palestijnse gebieden op een relatief gunstige 7de plaats van 103 ontwikkelingslanden, met een analfabetisme van 9,1% in 2003 (lager dan Jordanië, terwijl Egypte boven de 40% zat). De Human Development Index van 2006 vermeldde nog 7,6% analfabetisme boven de 14 jaar (iets meer dan Jordanië). Met een levensverwachting van 73,1 jaar scoorden de Palestijnse gebieden hetzelfde als Hongarije. In een lijst van 179 landen stonden ze in 2006 qua ontwikkeling op de 106de plaats, achter Jordanië, Tunesië en Syrië, maar voor Egypte en Marokko.

Tijdens de intifada’s en de repressie daartegen is een deel van deze ontwikkeling teniet gedaan, maar met name de laatste jaren trekt de Palestijnse economie weer flink aan.

Ondanks de relatieve achterstelling van Arabieren in Israël (dit komt o.a. omdat zij niet in het leger hoeven te dienen en daaruit vloeien een aantal privileges voort) hebben zij het in veel opzichten beter dan Arabieren in de omliggende landen, zowel economisch en qua levensstandaard als wat betreft politieke rechten en vrijheden.

Tegenover deze claims staan claims door Israël en sommige sympathisanten dat juist de Arabieren uit waren op het uitmoorden van alle Joden en in feite een tweede Holocaust wilden uitvoeren. Toen en nu zou Israël vechten tegen moderne nazi’s die Hitlers werk willen afmaken, als zij er maar de kans voor zouden krijgen. Deze claims worden ondersteund door diverse uitspraken van Arabische leiders en geestelijken, hun steun voor de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog en het virulente antisemitisme dat nog steeds bijna dagelijks van de krantenpagina’s en televisieschermen spat en van de vrijdagsdiensten in de moskeeën neerdaalt. Antizionisme en antisemitisme gaan daarbij naadloos in elkaar over. Zo sprak een Hamas vice minister in april 2010 de volgende woorden

The Jews, the brothers of apes and pigs, have gathered from all corners of the world, in order to defile the Al-Aqsa Mosque. They have come to rob it of its purity, and they replaced it with their impurity, their filth, and their abomination. The Al-Aqsa Mosque… Along come the criminal Zionists, and open the so-called Hurva (“destruction”) synagogue. May Allah bring their homes down on them.
[…]
You cannot go on living, oh Arab and Islamic nation, while the Al-Aqsa Mosque is being defiled by the Jews, the most despicable people on this Earth. By Allah, they are not human beings. They are not men who deserve to live, as long as we are alive.
As for the so-called “peace” or “peace process” – these are empty words, which constitute betrayal of the people and Allah’s religion.
[…]
The Jews, just like a cancer, operate via dormant cells, until the body collapses. We must stop this swelling, criminal, Zionist cancer.

Volgens veel Israëli’s zouden de Arabieren, als zij de kans hadden, hen al lang uit het land hebben verdreven. Dat er zoveel minder Israëlische doden vallen in het conflict komt niet door een gebrek aan motivatie bij de Arabieren, maar aan middelen. Omgekeerd heeft Israël de middelen om de Palestijnen in no time massaal te doden of verdrijven, maar doet dat niet en probeert zelfs om de burgerbevolking te ontzien. Er staat dan ook continu een vergrootglas op het doen en laten van Israël gericht: een fatale vergissing en de volgende dag ligt er een VN Veiligheidsraad resolutie en tientallen veroordelingen van wereldleiders. Geen enkel ander conflict wordt zo nauwlettend gevolgd. Aan Israël worden daarbij hoge eisen gesteld, terwijl men relatief mild is tegenover de Palestijnse gewapende groepen. Het internationale recht voorziet in onvoldoende mate in adequate regelgeving voor de strijd tegen niet-statelijke groeperingen, die zich niet houden aan de Geneefse Conventies en andere internationale afspraken.

Of de gewapende groepen waartegen Israël vecht en de Arabische staten waarmee het in oorlog was (en wat betreft sommige landen officieel nog steeds is) daadwerkelijk ‘Hitlers werk zouden willen afmaken’ zouden we pas te weten komen wanneer zij in de positie zouden zijn dit te kunnen doen, en zover zal het hopelijk nooit komen. Het mag zo zijn dat sommige Israëli’s wat erg snel in al hun vijanden nazi’s zien, feit is dat hun retoriek vaak even extreem is.

‘Etnische zuivering’

De term ‘etnische zuivering’ kwam pas in zwang tijdens de burgeroorlog in Joegoslavië, hoewel de praktijk al zeker sinds de oudheid voorkomt. Wikipedia vermeldt de officiële definitie van de Verenigde Naties als: “rendering an area ethnically homogeneous by using force or intimidation to remove from a given area persons of another ethnic or religious group.”

Etnische zuivering is het systematisch verdrijven of vermoorden van een complete etnische of religieuze gemeenschap, zoals bijvoorbeeld in Rwanda en Joegoslavië gebeurde, of tot op de dag van vandaag in Soedan gebeurt. Niet ieder dorp dat wordt verlaten of waaruit men wordt verdreven is een vorm van etnische zuivering. Het gaat om de bewuste intentie om uit een heel gebied een bevolkingsgroep te verdrijven om zo een etnisch homogene gemeenschap over te houden. Het begrip wordt, net als overigens andere begrippen, zoals ‘slachtpartij’ (massacre) en ‘oorlogsmisdaad’ wel erg snel gebruikt in het Israëlisch-Palestijns conflict, zeker in vergelijking met andere conflicten. Men verwart het feit dat een flink deel van de bevolking aan beide kanten eigenlijk het liefst zou zien dat de ander plotsklaps op een mysterieuze wijze zou verdwijnen, met een doelbewuste politiek van verdrijving.

In relatie tot andere conflicten doet Israël-Palestina het niet zo slecht: “Volgens de directeur van het Genocide Instituut in Bremen, Gunnar Heinsohn, figureert het Israëlisch-Arabische conflict op de lijst met slachtoffers van gewelddadige conflicten op plaats 49. En het Israëlisch-Palestijnse conflict, dat daarvan onderdeel is, op plaats 67. In een stuk uit 2007 schrijft hij: ‘De doden in het Arabisch-Israëlische conflict sinds 1950 bedragen 0,06 procent van het totale aantal doden in alle conflicten in die periode.'” (bron: Leon de Winter, Elsevier, 17 april 2010). Dat is niet per se een garantie dat er geen etnische zuiveringen plaats kunnen hebben gevonden, maar doorgaans gaan die gepaard met grote aantallen doden, zoals in voornoemde conflicten.

Dat juist wat betreft Israël-Palestina zo scheutig met de term ‘etnische zuivering’ wordt gesmeten, heeft te maken met de grote emotionele lading van dit conflict. Dat de Joden in de Arabieren en in het Iraanse regime soms ‘de nieuwe nazi’s’ zien is begrijpelijk: zij zijn het slachtoffer geweest van de grootste en meest omvattende genocide in de geschiedenis. Een genocide die niet op zichzelf stond maar een gevolg was van eeuwenlange Jodenvervolgingen in Europa. Een deel van de nazi-ideologie is in de jaren ’30 naar de Arabische wereld overgebracht, door honderden propaganda-uitzendingen in het Arabisch vanuit Berlijn. De vroegere moefti van Jeruzalem, Hai Amin Al Husseini, speelde daarin een belangrijke rol, en onder Palestijnen was de sympathie voor Hitler groot (zie bijvoorbeeld: Palestina, de moefti en de nazi’s ). Toch wil dat niet zeggen dat zij dezelfde ideologie aanhingen of hun Jodenhaat dezelfde wortels en intensiteit had. Een en ander voert te ver voor dit artikel, en verschillende mensen hebben op zowel parallellen als verschillen gewezen tussen het fascisme en de jihadistische ideologie, die overigens zeker niet door alle Palestijnen werd gedeeld. Er zijn bovendien verschillende vormen van fascisme en jihadisme en islamisme; het is goed voorzichtig te zijn met het over een kam scheren van deze zaken, maar feit is wel dat antisemitisme een onderdeel is van veel totalitaire bewegingen, en ook in de Arabische wereld sterk ontwikkeld was en is.

Waarom de Arabieren en ook Westerse antizionisten juist de Joden van genocide en nazi-praktijken beschuldigen, lijkt wat moeilijker te begrijpen. Buiten de vlucht en verdrijving van circa 700.000 Palestijnen tijdens de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog in 1948 (waarover verderop meer), is er niets dat daar ook maar in de verste verte aan doet denken. Irreële angsten spelen een rol, zoals dat de zionisten het hele Midden-Oosten zouden willen overheersen, en dit wordt vaak gecombineerd met antisemitische stereotypen over de Joodse almacht, sluwheid en rijkdom. Voor linkse intellectuelen symboliseert Israël het rijke kapitalistische westen tegenover de ‘primitieve’ weerloze Derde Wereld, de Israëlische technologie tegenover Palestijnse stenen als enige wapen.

 

Aantijgingen van etnische zuiveringen in de geschiedenis van het conflict

1. Het Britse mandaatgebied Palestina 1917-1948

Tijdens de mandaatperiode namen de vijandigheden tussen Joden en Arabieren in Palestina toe. Er kwamen meer Joodse immigranten en de Arabische bevolking groeide eveneens:

Table 3: Approximate population growth in Mandatory Palestine

Year Source Total Moslems Jews Christians Others
(No.) (%) (No.) (%) (No.) (%) (No.) (%)
1922 Census 752,048 589,177 78.34 83,790 11.14 71,464 9.50 7,617 1.01
1931 Census 1,033,314 759,700 73.52 174,606 16.90 88,907 8.60 10,101 0.98
1937 Estimate 1,383,320 875,947 63.32 386,084 27.91 109,769 7.94 11,520 0.83
1945 Survey 1,845,560 1,076,780 58.35 608,230 32.96 145,060 7.86 15,490 0.84
1947 Projection 1,955,260 1,135,269 58.06 650,000 33.24 153,621 7.86 16370 0.84

Bron: http://www.mideastweb.org/palpop.htm 

 

 

De Arabieren waren bang dat de zionisten hen zouden onteigenen en verdrijven, en deze angst werd bewust aangewakkerd door extreme leiders als de moefti Al Husseini. Daarnaast ontstond wrijving door de modernere opvattingen en leefwijze van de Joodse immigranten.

Vanaf de jaren ’20 waren er verschillende Arabische rellen die soms de vorm van pogroms aannamen. Met name in 1929 waren ze hevig, en leidden tot de verdrijving van de meeste Joden uit Hebron en velen uit Jeruzalem. Door sympathisanten van Israël wordt dit, in reactie op de vele aantijgingen van etnische zuiveringen door antizionisten, ook wel als etnische zuiveringen aangeduid. Omgekeerd beweren antizionisten dat de zionisten toen al bezig waren de Arabieren te onteigenen en hun land inpikten, en de etnische zuiveringen toen al begonnen. Dat is echter (van beide kanten) wat overdreven gezien de beperkte schaal waarop een en ander gebeurde. Er vonden toen nog geen grootschalige conflicten plaats, en zowel de Joden als de Arabieren hadden aanvankelijk geen georganiseerde en getrainde milities die dergelijke zuiveringen konden uitvoeren. Ook de landaankopen door de Joden, vaak van elders wonende grootgrondbezitters, hadden slechts gevolgen voor een betrekkelijk kleine groep Arabische pachters (in totaal ongeveer 1% van de Arabische families die land bezaten of pachtten) en meestal werden zij gecompenseerd.

Door moderne irrigatietechnieken en waterwinning werd vooral voorheen onbruikbaar land geschikt gemaakt voor cultivering, waardoor een toenemend aantal mensen van de opbrengsten van het land kon leven. Tijdens de Arabische opstand van 1936 tot 1939 vond voor het eerst geweld op grotere schaal plaats, en kwamen in totaal 3 tot 6 duizend Arabieren, bijna 2.400 Joden en ruim 600 Britten om; de meeste Arabieren werden door rivaliserende Arabische clans en door de Britten gedood, de meeste Joden door Arabieren.

In reactie op een artikel van Ann Lesch over ‘zionism and its impact’, dat betoogt dat het zionisme uit was op en gepaard ging met het onteigenen en verdrijven van de Arabische bevolking in Palestina, somt Ami Isseroff harde cijfers op die het tegendeel aantonen:

In 1922, at the start of the British Mandate there were some 589,000 Muslim Arabs and  71,000 Christian Arabs in Palestine, a number that is probably an overestimate. By 1945, there were well over 1.2 million Arabs in Palestine and perhaps over 1.3 million by 1948. The Arab population of Palestine had about doubled during the years of the mandate. If the Zionists were plotting and planning to evict the Arabs of Palestine, the supposed Zionist policy would have to be judged a miserable failure. At the same time, the Jewish population grew to over 600,000. The land that had held 753,000 people in 1922, held about 1.9 million in 1948. [zie tabel hierboven]

The people of Palestine enjoyed a far higher standard of living in 1945 than they did in 1922. The standard of living and the welfare of the Arabs of Palestine rose much more quickly than they did in neighboring countries. In 1922-25, average infant mortality for Muslims was 190.39 per thousand infants. By 1938, this figure was 127.58 per thousand. By way of comparison, infant mortality in neighboring Egypt was 163 per thousand. In Rumania in that year, the report of the League Mandates commission tells us that infant mortality was 183 per thousand, and in Poland it was 140 per thousand.

De Arabieren in Palestina verdienden meer dan in Syrië of Irak. Er was meer werk, en daarom kwamen immigranten uit de omliggende landen naar Palestina. Dat is dus precies omgekeerd aan de bewering dat de zionisten uit waren op de etnische zuivering van Palestina en hun beleid daarop gericht was.

Het Peel plan uit 1938

In 1938 kwam de Britse Peel Commissie, die was ingesteld om de oorzaken van de Arabische opstand te onderzoeken, met een aantal aanbevelingen en plannen. Naast het voorstel om de Joodse immigratie drastisch in te perken, evenals het Joodse recht om nieuwe nederzettingen te stichten en land aan te kopen (Beide voorstellen waren in strijd met de mandaatprovisies.), stelde zij voor het eerst voor het land te delen, in een kleine Joodse staat en een grotere Arabische. In opeenvolgende voorstellen werd de Joodse staat steeds kleiner gemaakt, totdat zij niet veel meer omvatte dan Tel Aviv en een smalle kuststrook (circa 15% van Palestina ten westen van de Jordaan), maar de Arabieren bleven de voorstellen afwijzen. Naast een deling stelde de commissie ook een bevolkingsuitwisseling voor: de Arabieren uit de voorgestelde Joodse staat zouden naar de Arabische worden overgebracht, en de Joden uit de Arabische naar de Joodse staat. Jeruzalem en een groot gebied daaromheen zou onder internationaal bestuur komen. De Joden waren verdeeld over het delingsplan: men vond de Joodse staat te klein en wilde dat Jeruzalem er onderdeel van zou uitmaken, maar was ook wanhopig op zoek naar een plek om de Joden uit Europa vrijelijk heen te kunnen laten emigreren. Een deel van het zionistische leiderschap juichte het idee van transfer bovendien toe: het zou de staat van een grote en deels vijandige Arabische minderheid verlossen. De linkse zionisten van Mapam vonden deze transfer echter inhumaan. Vanwege het Peel plan begon het zionistische leiderschap openlijk over transfer na te denken, waarbij geweld doorgaans werd afgewezen. De Arabische opstand en de eerdere pogroms hebben daaraan ontegenzeggelijk bijgedragen. Was het Arabische leiderschap vanaf het begin tegen iedere samenwerking en compromis dat Joodse autonomie zou inhouden, aan Joodse kant groeide het besef dat men niet met de Arabieren in vrede in een land kon leven. Men hoopte echter met name door massale Joodse immigratie een duidelijke Joodse meerderheid te kunnen bereiken, niet door verdrijvingen.

2. De Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog in 1948

In 1948 zouden de zionisten volgens sommigen dan eindelijk de gelegenheid hebben gekregen om uit te voeren wat ze altijd al wilden: het op grote schaal verdrijven van de Arabieren in Palestina, om plaats te maken voor de miljoenen te verwachten Joodse migranten. Ami Isseroff wees er in voornoemd artikel al op dat de onderliggende idee vaak is dat Palestina een ‘full box’ was en dat er geen plaats zou zijn voor zowel grote groepen Joodse immigranten als de Arabische bevolking. Dat was echter niet het uitgangspunt van de zionisten en het bleek ook niet te kloppen. De zionisten gingen er vanuit dat door ontginning en ontwikkeling van het land deze een groeiende bevolking zou kunnen onderhouden, en namen dat voortvarend ter hand.

De oorlog in 1948 werd dan ook niet veroorzaakt door zionistische landhonger maar door Arabische vijandigheden nadat de VN het delingsplan voor Palestina aannam. De Arabieren in Palestina en de omliggende staten hadden vanaf het begin geweigerd met de VN commissie die dit onderzocht mee te werken en spraken zich vanaf het begin uit tegen een deling van het gebied. Men dreigde ook met oorlog en verdrijving van de zionisten als het toch zou worden aangenomen. Kort na aanname in de Algemene Vergadering op 29 november 1947 braken er onlusten uit en pleegden Arabieren aanslagen op Joodse doelen, terwijl radicale zionistische groepen als de Irgoen overgingen op aanslagen tegen Arabieren. Al snel escaleerde dat tot een burgeroorlog, en werden de Joden in het defensief gedrongen. Dit leidde er ook toe dat de internationale steun voor deling en dus voor een Joodse staat afnam. De Joden zouden die niet kunnen verdedigen, zo dacht men, en er was weinig animo om internationale troepen ter bescherming naar het gebied te sturen. De Britten waren ook geen warme voorstanders van deling, en hoopten hun invloed te kunnen behouden wanneer Jordanië delen van Palestina toegewezen zou krijgen. De zionisten begrepen dat zij snel moesten handelen om het tij te doen keren; bovendien was het duidelijk dat wanneer de Britten op 15 mei zouden vertrekken, de Arabische staten binnen zouden vallen.

Plan Dalet

Daarom werd in april 1948 besloten om het zogenaamde plan Dalet uit te voeren, dat eigenlijk was bedoeld voor na het vertrek van de Britten. Hierin zou men voor het eerst als een conventioneel leger opereren en delen van het gebied veroveren en indien nodig de Arabische bevolking verdrijven. Plan D wordt algemeen aangehaald door antizionisten als Ilan Pappe en enkele andere ‘nieuwe historici’ om te bewijzen dat Israël tijdens de onafhankelijkheidsoorlog welbewust de Arabische bevolking zou hebben verdreven. Volgens Pappe werd van bovenaf opdracht gegeven tot de systematische verdrijving van de Arabische bevolking uit gebied dat de Joden voor hun staat wilden hebben. Hij benadrukt dat dit voor het merendeel gebeurde voor de stichting van de staat en de invasie van de omliggende Arabische staten in mei 1948, en beweert dat daarom de militaire noodzaak ontbrak (Hij negeert dat er een burgeroorlog was voorafgaand aan de Arabische invasie). Dit alles zou uit oorspronkelijke documenten blijken die eerder nog niet beschikbaar waren. Ilan Pappe is echter een omstreden historicus, die heeft gesteld dat feiten ondergeschikt zijn aan de ideologie en het hem er in de eerste plaats om te doen is op te komen voor de onderliggende partij. Omdat voor hem al vastligt wie dader en wie slachtoffer is, en hij vooral bevestiging zoekt van hetgeen waarvan hij al overtuigd is, negeert en mist Pappe cruciale informatie en interpreteert hij zaken overeenkomstig zijn radicale denkbeelden (Hij is overtuigd communist). Zo steunde hij een student die getuigenissen van Israëlische soldaten over een vermeende etnische zuivering in 1948 had vervalst. Zelfs bepleitte Pappe een boycot van zijn eigen universiteit in Haifa, waarna hij naar Groot-Brittannië verhuisde. Onder andere historicus Benny Morris heeft Pappe fel bekritiseerd op zijn subjectieve interpretaties en gewezen op veel slordigheden en onjuistheden in zijn werk. Nochtans vind Pappe de laatste jaren veel gehoor in het buitenland, en worden onder meer in Nederlandse media zijn omstreden opvattingen kritiekloos weergegeven.

Plan Dalet voorzag in een agressievere oorlogsvoering: had men de eerste maanden van de burgeroorlog zich vooral verdedigd tegen steeds fellere Arabische aanvallen (ook van een buitenlands Arabisch bevrijdingsleger dat sinds januari in het mandaatgebied opereerde), in het voorjaar van 1948 ging men tot de aanval over. De meest acute nood was er in Jeruzalem, dat al maanden door Arabieren werd afgesloten van de rest van de Joodse gemeenschap. Tientallen konvooien met voedsel en andere noodzakelijkheden werden overvallen en geconfisceerd of verbrand. Langs de wegen die Joodse gemeenschappen met elkaar verbonden lagen overal Arabische dorpen die deze overvallen organiseerden of waar zich strijders schuilhielden die dit deden. Begin april veroverde de Haganah, het Joodse ondergrondse leger, een aantal dorpen op de weg naar Jeruzalem en wist de weg tijdelijk open te breken. Ook in andere delen van het land werden dorpen langs strategische routes veroverd en de bevolking meestal verdreven, en ook in de gemengde steden (Haifa, Tiberias) en het Arabische Jaffa braken grootschalige gevechten uit en sloegen de Arabieren op de vlucht. In Haifa werden zij door zowel de Britten als de Joden opgeroepen om te blijven, in Jaffa hadden velen de stad al voor de gevechten verlaten uit angst en vanwege de verslechterende omstandigheden. Daar waar de bevolking werd verdreven -enkele tientallen plaatsen- gebeurde dat om verschillende redenen, onder ander vanwege de strategische ligging; de Haganah was niet in staat om honderden dorpen te bezetten en te voorkomen dat zich daar weer Arabische strijders zouden vestigen. Een andere reden was de verwachte Arabische invasie; langs de routes waarvan men verwachtte dat zij die zouden nemen werden alle dorpen vernietigd om hen dekking te ontnemen, en dit heeft die invasie ook inderdaad ernstig bemoeilijkt. Maar ook de angst dat een grote Arabische minderheid als een vijfde colonne zou fungeren en de te stichten staat blijvend kon destabiliseren, speelde een rol, en dit idee groeide door de oorlog.

(Zie ook: Israel War of Independence.)

Deir Yassin

Als bewijs van etnische zuiveringen door de zionisten wordt vaak het bloedbad van Deir Yassin aangehaald, een dorp in de buurt van Jeruzalem dat een niet-aanvalsverdrag had met het Joodse buurdorp en zich daaraan ook hield. Het werd op 9 april 1948 door de radikale Irgoen aangevallen, die zich wilde bewijzen na de successen van de Haganah van dat moment, en meer dan honderd mannen, vrouwen en kinderen werden gedood. De Haganah veroordeelde dit maar de daders zijn nooit gestraft. Deir Yassin was echter een uitzondering, geen regel, en wekte ook onder veel zionisten afschuw. Enkele dagen later overvielen Arabieren een medisch konvooi in Jeruzalem en doden alle circa 80 inzittenden, studenten, medisch personeel en zieken. Ook het Kfar Etzion bloedbad een maand later, met 128 doden die zich al hadden overgegeven, zou een wraakactie zijn voor Deir Yassin. Behalve bloedige wraakacties leidde Deir Yassin ook tot een enorme angst onder de Arabische bevolking. Bovendien hadden beide partijen bewust het aantal slachtoffers en de wreedheden overdreven. De Arabieren om steun voor hun zaak en hulp uit de Arabische wereld te genereren; de Irgoen om de angst onder Arabieren aan te wakkeren.

Etnische zuiveringen van Arabische zijde

Uit alle plaatsen waar de Arabieren wonnen in 1948 (met name Gush Etzion, Jeruzalem, en enkele kibboetsen rond Jeruzalem en in het zuiden) werden de Joden verdreven en alles platgebrand. Verschillende konvooien werden overvallen en met man en al afgebrand. Ook heeft het Jordaanse leger een paar keer (bijvoorbeeld in Gush Etzion) voorkomen dat lokale milities een bloedbad aanrichtten onder de bevolking. Zowel de legers van de Arabische staten als de Haganah/IDF hielden zich volgens Benny Morris redelijk aan het oorlogsrecht, en voorvallen waarbij krijgsgevangenen of vrouwen en kinderen werden gedood of gemutileerd kwamen zelden voor. Voornoemde gruwelijkheden waren meestal het werk van de lokale Arabische milities of de Irgoen en vonden plaats tijdens de burgeroorlog van december 1947 tot mei 1948. Arabische milities hebben overigens meermaals de lichamen van Joodse strijders gruwelijk verminkt; van één geval zijn later foto’s gevonden maar nooit vrijgegeven.

Mentaliteit van verdrijvingen

Volgens Benny Morris was de mentaliteit van verdrijving het sterkst onder de Arabieren: “By contrast, expulsionist thinking and, where possible, behavior, characterized the mainstream of the Palestinian national movement since its inception.”

De moefti Al Husseini zei tegen een interviewer van de Jaffa krant Al Sarih in maart 1948 dat de Arabieren: “would continue fighting until the zionists were annihilated and the whole of Palestine became a purely Arab state.” In 1974 stelde hij nog dat alle Joden van na 1917 het land uit moesten en heel Palestina een Arabische staat moest worden. Tot minstens eind jaren ’80 was ook het officiële standpunt van de PLO dat alle Joden die na 1917 in Palestina waren gekomen, ‘terug’ moesten naar hun land van herkomst.

Ook in de Arabische staten domineerde dit verdrijvingsstandpunt volgens Morris. Dit gold voor zowel het publiek als de heersende elites, die allemaal voor de vernietiging van de Joodse staat waren: “Shouts of “Idbach al Yahud” (slaughter the Jews) characterized equally street demonstrations in Jaffa, Cairo, Damascus, and Baghdad both before and during the war and were, in essence, echoed, usually in tamer language, by most Arab leaders”. (Morris, “1948” p. 409-410)

Het Britse Peel Plan uit 1937 was het eerste dat voorzag in grootschalige verplaatsing van bevolkingsgroepen: het stelde deling van het mandaatgebied voor in een kleine Joodse staat en een veel grotere Arabische staat, waarbij de beide bevolkingsgroepen verplaatst moesten worden naar de grenzen van het hen toegewezen gebied. Hierbij werd verwezen naar de eerdere verplaatsingen van bevolkingsgroepen tussen Turkije en Griekenland na de Eerste Wereldoorlog. Het plan werd afgewezen, maar heeft het denken over verplaatsingen van bevolking (transfer) wel aangemoedigd.

Het zionistische verdrijvingsdenken was vooral een reactie op de Arabische vijandigheid. Men wilde de Joden uit Europa een veilige haven bieden in Palestina, en dat kon niet met een grote groep haar zo vijandig gezinde Arabieren die het antisemitisme van de nazi’s echoden. Als reden om de Arabische vluchtelingen na 1949 niet te laten terugkeren werd aangevoerd dat zij de nieuwe staat ‘demografisch en politiek’ zouden destabiliseren, en het leger was bang dat zij een vijfde colonne zouden vormen die aan de kant van de Arabieren stond en haar in de toekomst zou helpen in de strijd tegen Israël.

Palestijnse vluchtelingen

Aanvankelijk sprak de VN van 726.000 Arabische vluchtelingen die afkomstig waren uit het gebied dat de staat Israël was geworden, later werd dit bijgesteld naar 711.000 vluchtelingen. Het overgrote deel hiervan werd in de daaropvolgende jaren opgevangen en gehuisvest in door de VN beheerde vluchtelingenkampen in Egyptisch (Gaza) en Jordaans (Westoever, Oost-Jeruzalem en Jordanië zelf) gebied en in Libanon en Syrië. De VN richtte daartoe een aparte organisatie op, de UNRWA. Doelstelling, werkwijze en definitie van wie als vluchteling werd beschouwd weken daarbij substantieel af van die bij de korte tijd later opgerichte UNHCR. Alle nakomelingen van vluchtelingen worden eveneens als Palestijnse vluchtelingen beschouwd, en de UNRWA wijst een definitieve hervestiging van de vluchtelingen in andere landen categorisch af, zodat het vluchtelingenprobleem blijft voortduren tot het moment dat er een definitief vredesakkoord is met Israël, met alle gevolgen van dien voor de betroffen personen en hun nakomelingen. Op Jordanië na weigeren ook de Arabische gastlanden om de vluchtelingen op hun grondgebied burgerrechten toe te kennen, en krijgen ze maar zeer beperkt werkvergunningen. Israël heeft na de onafhankelijkheidsoorlog aangeboden om een beperkt aantal vluchtelingen te laten terugkeren in ruil voor een vredesakkoord. In verschillende perioden zijn enkele duizenden Palestijnse vluchtelingen toegelaten in Israël, o.a. in het kader van gezinshereniging en van de Oslo Akkoorden.

Zie voor meer informatie over de vluchtelingen en de UNRWA:

3. Israëlisch beleid tegenover de Arabieren in Israël vanaf 1948

Tot in de jaren ’60 vielen de Arabische dorpen die binnen Israël lagen onder militair bestuur, met alle nadelen en beperkingen van dien. Daarna kregen ze volledige burgerrechten, maar op een aantal onderdelen (zoals de verdeling van overheidsgelden) wordt de Arabische sector nog steeds achtergesteld. Er zijn 3 Arabische partijen vertegenwoordigd in de Knesset (waarbij de communistische partij ook Joodse leden heeft), en Arabieren zijn daarbuiten ook lid en volksvertegenwoordiger van een aantal ‘Joodse’ partijen, vooral bij links. Ook heeft een Arabier zitting in het Israëlische hooggerechtshof. Arabische Israëli hoeven niet in militaire dienst maar kunnen wel op vrijwillige basis een soort vervangende dienst vervullen.

De Arabische bevolking van Israël is in de afgelopen 60 jaar ongeveer vertienvoudigd, waardoor er meer Arabieren in het gebied leven dan ooit in de geschiedenis:

Arabische bevolking in Israël
(binnen Groene Lijn)
1947 1949 2001
ca. 850.000 150.000 ca. 1.250.000

Desondanks bestaat er discriminatie in Israël, zoals in alle landen waar verschillende etnische en religieuze groepen samenleven, en waarbij de kleinste en sociaal-economische zwakste groepen doorgaans aan het kortste eind trekken: discriminatie bij het vinden van een baan of een woning, strenger optreden van politieagenten, religieuze wrijvingen etc.

In januari 2009 ontstond er ophef nadat de centrale kiescommissie van de Knesset twee Arabische politieke partijen uitsloot van de verkiezingen vanwege ‘het aanzetten tot geweld, het steunen van terroristen en een weigering het bestaansrecht van de Joodse staat te erkennen’. Verschillende Arabische parlementariërs bezochten zonder toestemming vijandige staten zoals Libanon en Syrië en spraken openlijk hun steun uit voor Israëls vijanden, waaronder Hezbollah. Dit verbod werd twee weken later teruggedraaid door het Israëlische hooggerechtshof. 

4. De bezetting en de Palestijnen op de Westoever en Gazastrook vanaf 1967

Zie ook: De bezetting en de nederzettingen en De Gazastrook.

 

© Dit artikel is copyright Israël-Palestina Informatie, afgezien van onderdelen waarvoor andere bronnen worden vermeld. Voor overname gelieve kontakt met ons op te nemen via het e-mail adres. Beperkte citaten voorzien van een link naar deze webpagina zijn toegestaan.

 

Comments are closed.